Moeizaam geworteld in de West

Voor Surinamers zijn het geen onbekenden, voor veel Nederlanders vermoedelijk wel: de Boeroes, een blanke bevolkingsgroep van Surinamers wier voorouders in 1845 overstaken naar de West, in de hoop op een beter leven. In Boeroes, hier besproken door Esther Wils, reconstrueert nazaat Karin Sitalsing haar familiegeschiedenis.

 

Pioniers uit noodzaak

Er hadden aan boord van het schip ijzingwekkende tooneelen plaats. Vrouwen en kinderen jammerden en schreiden; de mannen liepen, bij de aanblik hunner bestemming, als wanhopenden en woedenden over het dek. De meesten weigerden om van boord te gaan; enigen, die nog geld bezaten, boden dezen den gezagvoerder voor den terugreis aan. […] Tien passen achter de hutten, welke op eenen lijn langs de rivier, nog geen dertig voet van elkander stonden, bevond men zich in digtgewassen kreupelhout. Geen voet gronds was bebouwd of productief gemaakt.

Zo beschrijft Arnoldus Copijn in het tijdschrift West-Indië (1859) zijn aankomst in Voorzorg aan de Saramacca-rivier, Suriname. Hij was een van de opvarenden van de Suzanna Maria, eerste van de vier schepen die in 1845 een kleine vierhonderd Hollandse kolonisten aanvoerden om als boeren aan het werk te gaan. De afschaffing van de slavernij hing in de lucht en de Nederlandse overheid voorzag dat er nieuwe mankracht nodig zou zijn om het land te bewerken – later in de eeuw zouden ook Hindoestanen, Javanen en Chinezen als contractarbeiders worden ingevaren. Dominee Arend van de Brandhof was het brein achter de hervormde volksplanting; geïnspireerd door de Brit William Penn, die eind zeventiende eeuw in Noord-Amerika de Quaker-enclave Pennsylvania stichtte, wilde hij in Suriname hoeder worden van een gemeenschap. Via Jean Christiaan Baud, de minister van Koloniën, kregen hij en zijn handlangers toegang tot Willem II. In 1843 kwam er instemming, bij Koninklijk Besluit — Nederland was in die tijd slecht bij kas en zat omhoog met vele armlastigen die steun behoefden, men zag ze graag vertrekken.

Foto van Julius Muller uit 1893. Van links naar rechts: stamhouders C.A. van Brussel (59 jaar), G. Rijsdijk (53 jaar), F. Velthuizen (60 jaar), en Karin Sitalsings betovergrootvader R.A. Tammenga (53 jaar)

In Suriname was de groep eigenlijk niet welkom; de overheid was bang dat haar aanzien zou worden ondermijnd als blanken de handen uit de mouwen zouden steken voor zware arbeid op het land. Op de overeengekomen ontvangst, in huisjes met drie kamers per gezin, een stuk land en enkele stuks (pluim)vee werd dus sterk bezuinigd. Bovendien had de ambitieuze en koppige Van de Brandhof de waarschuwingen tegen het gekozen terrein in de wind geslagen. Zo kwamen de arme migranten, verzwakt door de lange zeereis, terecht in een bloedheet en drassig gebied vol ziekteverwekkende muggen, waar de weinige hutten die in haast waren opgetrokken geen bescherming of beschutting boden. Er brak onmiddellijk een zeer besmettelijke ziekte uit, waaraan zo’n tweehonderd man overleed.

Karin Sitalsings navertelling van deze geschiedenis — nog altijd het brandpunt van de Boeroe-herdenkingen, getuige een rondgang op YouTube — doet denken aan Publieke werken (1999), de meeslepende roman van Thomas Rosenboom, waarin wanhopige Drentse turfstekers door naïeve idealisten en met tussenkomst van dubieuze bemiddelaars worden verleid hun geluk te beproeven in Amerika. Vaak analfabeet, zonder enige concrete voorstelling van wat ze aan de overkant werkelijk te wachten stond, scheepten ze in, op hoop van zegen. Sitalsings voorvader Hendrijkus Tammenga (rechts op de foto hierboven) had zich overigens van bakker omgeschoold tot godsdienstleraar en kon dus wel lezen; hij kwam pas in 1848 over om de migranten die hadden overleefd en inmiddels de Saramacca waren overgestoken naar het iets leefbaarder Groningen, te onderwijzen — er is later in Paramaribo een school met zijn naam opgericht.

De familie Loor, 1893

Boeroes
De Boeroes — Sranantongo voor ‘boeren’; de benaming kwam eind negentiende eeuw in zwang — vestigden zich op den duur in de omstreken van Paramaribo, met hulp van verlicht bestuurder Reinier Frederik baron van Raders, die ze geld leende voor huisvesting en ‘koebeesten’. De nabijheid van de stad bood een afzetmarkt voor hun producten, waarvan vooral melk geld opbracht. Van huis uit waren de meesten geen boer, maar hun volharding, nijverheid en aanpassingsvermogen hebben vruchten afgeworpen. Ze trouwden de eerste eeuw van hun verblijf op Surinaamse grond uitsluitend onder elkaar en stichtten grote gezinnen; het geloof en de zeden verboden intieme omgang met de andere bevolkingsgroepen, hoewel de kinderen van verschillende herkomst wel graag met elkaar speelden en affaires toch wel ontstonden — de trekken op sommige groepsportretten verraden dat.

Dat isolement en het vasthouden aan de eigen gewoontes (‘wij hebben geen cultuur,’ zegt een reünieganger tegen Sitalsing) maakt de Boeroes verwant aan de ‘lost white tribes’ die Riccardo Orizio beschrijft in zijn fascinerende studie met die titel. De ‘Burghers’ in Sri Lanka en de ‘Basters’ in Namibië zijn twee van die kleine gemeenschappen die tegen de klippen van de tijd op hun eigen identiteit wilden behouden. Lees vooral ook het fascinerende en tragikomische Running in the Family (1982) van Michael Ondaatje, zelf van Burgher-afkomst; de Burghers zijn een gemengde groep, net als de Indo’s, en de roman roept een sterk gevoel van herkenning op.

Ondanks hun eenzelvigheid voelen de Boeroes zich toch Surinamer; ze spreken Nederlands met een Surinaams accent en verstaan ook Sranantongo, ze eten graag roti — en ook wel bruine bonen met rijst, een van de weinige sporen van een Nederlandse achtergrond. Ze hebben een afkeer van Nederland, dat hen destijds zo vreselijk in de steek heeft gelaten, maar maken een uitzondering voor het koningshuis. Inmiddels zijn de Boeroes zich gaan vermengen met andere Surinamers; de ouders van Karin Sitalsing zijn er een voorbeeld van.

De ouders van Karin Sitalsing, de hindoestaanse Frank Sitalsing (linksonder) en de Boeroe Anne Marie Loor (tweede van rechts), september 1956

‘Repatriëring’
De foto toont hen bij het afscheid van een van Annes broers, die in Nederland ging studeren. Net als veel andere Surinamers kwam het echtpaar in de jaren 1975 ook definitief over, vanwege de onrust rondom de onafhankelijkheid van Suriname: ze wilden hun kinderen daar niet aan blootstellen.

Hun geschiedenis heeft overeenkomsten met die van de Indische Nederlanders die na WOII en Indonesië’s onafhankelijkheid ‘repatrieerden’: ze kenden de taal en de topografie van Nederland maar moesten, na het meer of minder onvrijwillig vertrek uit het moederland, eenmaal hier toch acclimatiseren. En de inheemse Nederlanders kenden hun geschiedenis niet, konden ze niet altijd plaatsen; Sitalsings moeder is een blanke met een Surinaamse tongval, waarmee ze de mensen verrast, terwijl ze ook — voor hen onverwacht — de roddels van zwarte Surinamers in de tram kan verstaan. Het begrip ‘boeroe’ is hier buiten de kleine kring onbekend.

Karin Sitalsing: sproeten en pikzwarte ogen

De schrijfster zelf heeft ook altijd iets uit te leggen: ‘Waar kom je vandaan?’ Zij is duidelijk niet blank maar ook geen standaard Surinaamse — voor een Hindoestaanse kan ze niet honderd procent doorgaan met haar sproeten en haar Hollandse accent. Ze is niet de eerste die onderzoek doet naar de boeroes (het boek bevat een bibliografie) maar wel de eerste — mede vanwege enige bekendheid als journaliste, waarschijnlijk — die er een grote Nederlandse publieksuitgever voor heeft weten te interesseren. En ze heeft haar zoektocht naar de familiegeschiedenis met passie en inleving uitgevoerd — het vlechtwerk van de generaties is niet eenvoudig te volgen, en haar hartkloppingenenthousiasme maakte mij soms wat amechtig, maar je gunt haar van harte het dubbele thuisgevoel, in het Surinaamse Groningen aan de Saramacca én bij het oude Groningse grachtenpand waar ooit haar betovergrootvader Tammenga heeft gewoond, voor hij naar Suriname vertrok.

ESTHER WILS

Karin Sitalsing, Boeroes. Een familiegeschiedenis van witte Surinamers, Atlas Contact

Foto bovenaan: Het clubhuis van de VANK: Vereniging Afstammelingen Nederlandse Kolonisten, opgericht in 1946, opgeheven in 1960.

De afbeeldingen bij dit stuk zijn afkomstig van www.boeroes.nl en www.karinsitalsing.nl.