Jan Toorop in veelvoud

Nadat Esther Wils’ bespreking ‘Charley Toorop had een Indische vader’ was verschenen, zocht Charley’s biograaf Wessel Krul contact en ontspon zich een interessante briefwisseling, die de aanleiding vormde Krul uit te nodigen zijn standpunt betreffende het Indisch karakter van schilder Jan Toorop nader toe te lichten.

Jan Toorop drukt zelf zijn etsen in zijn atelier in Katwijk aan Zee, 1902, fotograaf onbekend, collectie Spaarnestad

Mijn eerste gedachte was: wat een emotie over één enkele voetnoot, uit een boek met honderd bladzijden aantekeningen! Ik heb een gevoelig punt aangeraakt. Een voetnoot moet noodzakelijk kort zijn, en daarom ben ik blij dat ik van Esther Wils ruim gelegenheid krijg om mijn opmerking te verduidelijken.

Nog eens de gewraakte zin: ‘Pogingen om van Toorop een Indonesische kunstenaar te maken, zoals in Legêne, “Metamorfose. Jan Toorops inburgeringstraject”, schieten hun doel voorbij’. Eerst over dat doel. Het gaat erom dat er vaak, als er over Toorop werd geschreven, te weinig aandacht was voor zijn afkomst en zijn jeugd in Nederlands-Indië. Hij hechtte er zelf veel belang aan. In interviews en andere gesprekken met derden kwam hij graag terug op zijn ‘oosterse’ achtergrond. Er zijn in het verleden publicaties geweest waarin zijn Indische herkomst werd gebagatelliseerd of zelfs volkomen ontkend. Het weerzinwekkendste moment is waarschijnlijk de omdoping in 1942 van de Jozef Israëlskade in Amsterdam in Jan Tooropkade. Hier werd de naam van Toorop, zogenaamd als ‘arische Nederlander’, ingezet tegen een bevolkingsgroep die volgens de Nazi-ideologie uit de Nederlandse samenleving moest verdwijnen.

Tegenover dit ‘witwassen’ staan publicaties waarin Toorops Indische herkomst met veel romantiek wordt opgesierd. Bij Israël Querido en in de vele geschriften van Miek Janssen verschijnt Toorop als een ingewijde in oosterse mystieke tradities, opgegroeid in tropische wouden tussen vervallen tempels, die zijn kunst beoefende met bijna priesterlijke allures. Deze auteurs ontleenden hun verhalen aan Toorop zelf. Het is duidelijk dat zijn sterke verbeeldingskracht bij het vertellen van zijn levensverhaal wel eens met hem op de loop ging. Zelfs als hij de gegevens niet zo opdiende als ze daar staan, vond hij het toch niet nodig om zijn vrienden tegen te spreken.

Er is dus zoiets als een ‘Toorop-mythologie’, die hij onmiskenbaar heeft aangemoedigd. Met ‘het doel voorbij schieten’ wilde ik zeggen dat het niet nodig is, als we Toorop recht willen doen, om in deze kleurrijke fantasiën mee te gaan. Hoe veelbetekenend de herinnering aan zijn Indische jeugd ook was, Toorop was een Indische Nederlander, en niet iemand die de Indonesische cultuur, of misschien beter de Javaanse cultuur, van binnenuit kende. Het woord ‘Indonesisch’ berust niet op een vergissing. Ik koos het welbewust, denkend aan de maatschappelijke verhoudingen in het koloniale Nederlands-Indië.

Voor de lezers van deze website hoef ik niet uit te leggen hoe belangrijk het Nederlandse staatsburgerschap was voor de gemengd Nederlands-Indische bevolkingsgroep. Het was een voorwaarde om hun positie te handhaven als militairen, ambtenaren en bestuurders in het koloniale systeem, en om binnen dat systeem vooruit te komen. De Toorops hebben er steeds op toegezien dat hun kinderen, ook als ze geboren waren uit Indonesische vrouwen, als Nederlanders werden erkend. Een tak van de familie is zich zelfs D’ Adelhart Toorop gaan noemen. Adelhart, een woord als uit een 19-eeuwse roman – er was nauwelijks een betere term te verzinnen om het streven van de Toorops naar sociale stijging en verbondenheid met Nederland aan te geven. Om misverstand te voorkomen: ik zie dit verlangen naar status niet als iets afkeurenswaardigs. Het was in de toenmalige samenleving volkomen aanvaard en begrijpelijk.

Jan Toorop is grootgebracht met deze normen en waarden, om binnen dit koloniale stelsel een plaats in te nemen. Aan zijn vroegste jeugd op Java had hij geen herinnering. Hij heeft lang gedacht dat hij was geboren op Banka, waar zijn vader in 1863 opzichter werd van de tinmijnen. Tropische wouden en geheimzinnige tempels waren daar niet. Wat hem later als kunstenaar bijbleef waren de feesten van de Chinese mijnwerkers. Zijn uitspraak ‘De grondslag van mijn werk is Oostersch’ wordt te vaak aangehaald zonder het vervolg, alsof hij het over Java had. ‘De mooie, half-Chineesche omgeving op Banka en de Oostersche natuur daar in Indië hebben mij het eerst met schoonheid in aanraking gebracht. De op je fantazie werkende kleeding, de mooie stoffen, de masker-spelen in de Chineesche kampongs… al verstond ik er natuurlijk niets van, want het ging alles in een soort Chineesch, toch heeft dat op mij geweldige impressie gemaakt, als kind al. (…) Kleur en stijl leerde ik van de Japanners en de Chineezen’.

Toorop heeft vier jaar op Banka gewoond. In 1867, toen hij negen jaar was, werd hij bij een gastgezin op school gedaan in Batavia om zich voor te bereiden op een studie in Nederland, en in 1869, nog geen elf jaar oud (hij was jarig in december), maakte hij de overtocht naar Europa. Zijn Indische tijd duurde niet veertien jaar, zoals soms wordt gezegd. Het is de vraag hoeveel hij in Batavia, in een sterk op Nederland gericht milieu, met de traditionele Indonesische cultuur in aanraking is gekomen. Mijn indruk is dat zijn ideeën over een Indische identiteit pas goed vorm kregen toen hij eenmaal besloten had om geen koloniale functionaris, maar kunstenaar te worden. Hij werd ertoe gedwongen door het vooroordeel dat hij ontmoette over zijn uiterlijk, zijn accent en zijn omgangsvormen. Maar hij zag ook snel genoeg dat hij er als kunstenaar van kon profiteren, in een Europees cultureel klimaat waarin al het ‘oosterse’ hoog stond aangeschreven. Er is geen reden om deze strategie te veroordelen als onoprechtheid of een pose. Elke kunstenaar moet met de beschikbare middelen een publiek en een markt voor zichzelf creëren.

Het is intussen ook niet nodig om hem altijd op zijn woord te geloven. Dat was mijn bezwaar tegen het artikel van Susan Legêne, dat nu bijna 20 jaar oud is en misschien niet meer haar huidige inzichten vertegenwoordigt. Ik vond dat ze het teveel deed voorkomen alsof Toorop als een volslagen vreemdeling, opgegroeid in een niet-westerse cultuur, in Nederland aankwam, ongeveer zoals de Javaanse regentenzonen die in het interbellum in Leiden kwamen studeren. De opmerking dat ze geen bijdrage wilde leveren aan de Toorop-studie, maar hem alleen als voorbeeld van inburgering gebruikte, maakte het betoog naar mijn idee niet sterker. Ik geef grif toe dat ik daarmee aan veel nuances voorbij ben gegaan. Dat ik het volkomen eens ben met de inzet van haar stuk, namelijk om iemand als Toorop een plaats te geven tussen het land van herkomst en het land van aankomst, gaf ik hierboven al aan.

Jan Toorop, De jonge generatie, 1892, collectie Boymans van Beuningen

Nog een paar vragen en kanttekeningen tot slot. Dat ‘Indië’ voor Toorop persoonlijk veel betekende is duidelijk. Hij sprak er graag over met andere oud-Indischgasten. Maar in hoeverre komt dat Indische nu in zijn werk tot uiting? Toch minder dan we op grond van zijn eigen uitspraken zouden verwachten. Het gaat dan vooral om zijn symbolistische werk uit de jaren 1890. Er is daarnaast en daarna heel veel, de pointillistische landschappen, alles uit Zeeland, de talloze portretten, waarin van het ‘oosterse’ heel weinig is terug te vinden. En was dat oosterse wel zo Indisch? De tropische vegetatie op een schilderij als De jonge generatie uit 1892 (Museum Boijmans Van Beuningen) is vaak gezien als een herinnering aan Indië, maar zelf zei hij dat hij aan Chinese kunst had gedacht. Zijn dochter Charley en haar kinderen zagen dat ook zo. Voor John Fernhout was hij een ‘oude Chinees’, en Charley verklaarde haar opvliegendheid een keer uit het feit dat zij ‘1/8 Mongools’ was, dus van Chinese afkomst.

Kortom: ik zie Jan Toorop als een kameleon, die zich gemakkelijk aan zijn omgeving aanpaste. Met zijn veelzijdigheid en vindingrijkheid slaagde hij erin gedurig van identiteit te wisselen, Indisch en Nederlands, oosters en Europees, al naar het hem uitkwam. Wie deze veranderlijkheid miskent, of desgewenst deze tussenpositie, doet hem als mens en kunstenaar tekort.

WESSEL KRUL

Bovenaan: Jan Toorop met zijn echtgenote Annie Hall, dochter Charley Toorop op zijn schouders. Katwijk, omstreeks 1900-1905, Algemeen Fotobureau Amsterdam, collectie Spaarnestad