Politieke psychiatrie in de kolonie, deel 2

Vervolg van Politieke psychiatrie in de kolonie (klik hier voor deel 1)

Polemieken over de Javaanse psyche
In de loop van de jaren ’20 verhardde het maatschappelijke klimaat in Nederlands-Indië. Er was groeiende bezorgdheid over opkomende nationalistische bewegingen. De koloniale bovenlaag wilde graag weten wat de inheemse bewolking eigenlijk bewoog. Psychiaters konden daar antwoord op geven. Zo hielden de psychiaters P.H.M. Travaglino en Feike H.G. van Loon regelmatig politieke lezingen met een racistische inhoud. Travaglino dichtte hun een overdreven zucht naar genot toe, en bestempelde hen als egoïstisch, ijdel en gefixeerd op seksualiteit. Hij beschouwde hen als emotioneel, fantasierijk, kinderlijk en suggestibel, dus zeer gevoelig voor deelname aan opstand en oproer. Gelukkig dienden Indonesiërs hem fel van repliek. Zo stelde Koesoemo Oetoyo voor geen Javaanse karaktertrekken te inventariseren maar een commissie in te stellen die de bedenkelijke mentaliteit van de Europeanen op Java zou gaan onderzoeken.

Feestje met Indonesische studenten in Nederland
Feestje met Indonesische studenten in Nederland, met 2e van links dr John Latumeten: “‘Dat men meent met een mondjevol Maleis, Javaans of Madoerees, eventueel door tussenkomst van een tolk tot onze psyche te kunnen doordringen […] is in strijd met de meest primitieve eisen van een wetenschappelijk psychologisch onderzoek.” (foto uit besproken boek, ter beschikking gesteld door Herman Keppy)
In 1924 hield psychiater Van Loon een lezing over de eigenschappen van ‘de Maleier’ voor het Indisch Genootschap in Den Haag, waar invloedrijke politici, ondernemers en bestuurders lid van waren. Volgens van Loon hadden ‘Maleiers’ vooral primitief-instinctieve eigenschappen, waartoe emoties als minnenijd, wrok en maloe (schaamte) behoorden. Maleiers waren wel geestig en muzikaal maar weinig punctueel, onverschillig en vreesachtig. Bij hen ontbrak het intellect dat nodig is voor vruchtbaar-scheppend werk. De Europeaan moest liefdevol begrip opbrengen voor deze tekorten. De Indische Courant noemde Van Loon de psycholoog van het koloniaal conservatisme en de Bond van Indonesische artsen sprak van ‘psychiatrisch fascisme’. De Bond kwam met een lucide en geestig verweerschrift. Zo werd Van Loon ‘tropenkolder’ toegedicht en werden in het verweerschrift de zeden en gewoonten van Javanen vergeleken met die van Utrechters. Die vergelijking viel niet in het voordeel van de Utrechters uit.

Chris zelf mengde zich niet openlijk in deze polemieken, maar in zijn publicaties maakt hij wel duidelijk dat hij kritisch was over de koloniale blik op de Javaan. In 1926 keerde hij met zijn gezin terug naar Nederland en werd hij een bevlogen geneesheer-directeur van de Willem Arntzhoeve in Den Dolder. Deze inrichting moest volgens hem een gemeenschap zijn waarin de sterken en begaafden zich inzetten voor de zwakkeren en minder begaafden. In 1943 weigerde hij Joodse patiënten aan de Duitsers uit te leveren. Er kwam een nieuw College van Regenten met alleen NSB-ers. Chris werd geïnterneerd, maar keerde na de oorlog terug als geneesheer-directeur. Zijn ervaringen met de Duitse bezetting en de Jodenvervolging hadden zijn visie aangescherpt. In een artikel in het Maandblad voor geestelijke volksgezondheid in 1948 blikte hij terug op zijn Indische jaren. Hij verklaarde de verschillen tussen de Javaanse en Europese psyche vooral uit sociale oorzaken, voortvloeiend uit zowel het koloniale systeem als uit de traditionele verhoudingen in de lokale gemeenschappen, en kantte zich tegen ophemeling van het ongecompliceerde Javaanse.

Fluisteringen uit het archief
Marens Engelhard stelt in het voorwoord een lange lijst vragen die hij met zijn zoektocht naar het leven en werk van zijn grootvader Chris wilde beantwoorden. De vragen over karakter, gedachtewereld en zelfs gevoelsleven van Chris en zijn vrouw Amy bleken verrassend goed te beantwoorden door de vele bewaarde brieven en dagboeken. Ook de vragen over de koloniale psychiatrie die Chris zelf bedreef en de bredere context waarin hij dat deed worden ruimschoots beantwoord in dit boek. Marens Engelhard zegt zelf ook in het nawoord dat hij veel meer te weten is gekomen dan hij had gedacht. De hoeveelheid informatie die in dit boek bijeen is gebracht is inderdaad indrukwekkend. De archieven bleken een goudmijn voor een zoektocht naar de Europese visie, het koloniale beleid en de dagelijkse professionele realiteit van de psychiatrie in Nederlands-Indië.

Chris Engelhard, zijn vrouw Amy en hun zoon Herman aan boord van de Rindjani, 5 oktober 2016 (foto uit familiearchief)

Marens Engelhard vraagt zich in het voorwoord ook af of hij een indruk kan krijgen van de (Javaanse) patiënten van grootvader Chris door te zoeken en luisteren naar de ‘whispers from the archives’ (cf. Ann Stoler). Deze vraag komt niet meer expliciet aan bod in het nawoord. Misschien omdat deze negatief beantwoord moet worden. De uitgesproken Eurocentrische en koloniale blik op de Javaanse patiënten uit die tijd komt uitgebreid aan bod. Ook de meer kritische tegengeluiden van Chris Engelhard, andere Europeanen zoals Paul van Schilfgaarde én de Bond van Indonesische Artsen komen goed uit de verf. De Javaanse patiënten blijven echter schimmen op de achtergrond, lijdend voorwerp van verhitte discussies, van zowel goedbedoelde als politiek gedreven wetenschap met racistische onder- en boventoon. Het ontbreken van de stemmen van patiënten noemt Marens Engelhard zelf ook de belangrijkste beperking van zijn onderzoekingen.

Dat de archieven onvoldoende fluisteringen opleverden voor een waarachtig beeld van de Javaanse psychiatrische patiënten in de koloniale tijd is natuurlijk niet verrassend. Van kennisrechtvaardigheid was en is geen sprake in (post)koloniale papieren contexten, zoals ook Marens Engelhard – zij het in andere woorden – opmerkt. De archieven zijn gevuld door overheersers die een ‘overdaad aan geloofwaardigheid’ wordt toegedicht, niet alleen als autoriteit op het gebied van de eigen ervaringen, maar ook die van anderen, zoals Miranda Fricker betoogt in Epistemic injustice: Power & the Ethics of Knowing. Marens Engelhard maakt pijnlijk duidelijk hoe de koloniale overheersing door de psychiatrie werd gelegitimeerd. Dat maakte de koloniale psychiatrie volgens Marens Engelhard tot ‘een paradoxale mengeling van humanitaire geneeskunde en racistische arrogantie’ en ‘een doolhof van oprechte wetenschappelijke belangstelling en pseudowetenschappelijke vooringenomenheid’. Marens Engelhard vestigt helder en overtuigend de aandacht op deze vorm van onrechtvaardigheid en voegt daarmee een belangrijk hoofdstuk toe aan de geschiedschrijving over Nederlands-Indië.

Een hybride maar boeiende leeservaring
Voor veel lezers zal de ‘kleine’ familiegeschiedenis van de familie Engelhard een prettige en toegankelijke kapstok zijn waaraan de beschouwingen over de koloniale psychiatrie zijn opgehangen, maar het zorgt ook voor een wat hybride leeservaring. Er zullen ook lezers zijn die behoefte hebben aan meer verdieping in de ‘grote’ geschiedenis, bijvoorbeeld over ‘een van de eerste cursussen tropische geneeskunde die in Nederland gegeven werd’ die Chris volgde (p. 20). Of over vergelijkingen met andere koloniale contexten, de relatie tussen dekolonisering en humanisering van de psychiatrie in Indonesië, of over de postkoloniale doorwerking van de dubbele stigmatisering van psychiatrisch patiënten van een onderdrukt volk.

De hybride leeservaring krijgt ook nog eens een derde laag door de verhaallijn over het onderzoeksproces van de auteur zelf, de plekken die hij heeft bezocht, de mensen die hij heeft ontmoet. Tussen beschrijvingen van familieperikelen en beschouwingen over koloniale psychiatrie duikt de schrijver zo nu en dan ineens op als ik-figuur. Soms om de lezer deelgenoot te maken van de stappen die hij heeft gezet om de informatie voor dit boek te verzamelen, soms om te beschrijven hoe hij iets duidt of wat hij ergens van vindt. Omdat het boek soepel is geschreven stoort deze terugkerende hink-stap-sprong niet overmatig en schakelt de lezer vrij moeiteloos tussen de registers met de schrijver mee.

Gezin Engelhard in Den Dolder rond 1928, zittend vlnr Mary, Herman, Amy Engelhard-Knappert, Aletta, Chris jr., staand Chris Engelhard

Er valt voor de lezer vooral veel te leren, want niet eerder werden zoveel inzichten over de koloniale psychiatrie in voormalig Nederlands-Indië bij elkaar gebracht. Het boek is een boeiende verzameling grote feiten en kleine weetjes over een thema waarover nog veel meer geschreven mag worden, zoals ook Marens Engelhard zelf betoogt. De grote feiten over de rol die de psychiatrie gespeeld heeft in het bredere systeem van koloniale overheersing en onderdrukking komen helder voor het voetlicht. Kleine weetjes zoals over de diagnose tropenneurasthenie – een zenuwaandoening onder Europeanen in de koloniën en een diagnose die Van Oudijck uit De stille kracht zonder meer had gepast – smaken naar meer. Marens Engelhard noemt zijn boek een familiegeschiedenis. Dat is het ook, maar het is meer dan dat. Hij heeft overtuigend aangetoond dat de psychiatrie een grotere plaats in de reflectie op onze koloniale geschiedenis verdient.

JUDI MESMAN & JAAP VAN WEEGHEL

De ‘Javaanse psyche’. Koloniale psychiaters in Nederlands-Indië 1900 – 1940. Een familiegeschiedenis, door Marens Engelhard, uitg. Boom

Judi Mesman is hoogleraar Maatschappelijke verantwoordelijkheid en impact aan de Universiteit Leiden. Haar werk gaat over sociale (on)rechtvaardigheid met aandacht voor de wortels daarvan in het verleden.

Jaap van Weeghel is emeritus bijzonder hoogleraar psychiatrische rehabilitatie aan Tilburg University. Momenteel is hij bestuurslid van MIND, landelijke organisatie voor de belangenbehartiging van mensen met psychische problematiek.