Politieke psychiatrie in de kolonie: Hoe psychiaters in Nederlands-Indië de koloniale overheersing legitimeerden

Van Marens Engelhard verscheen vorig jaar De ‘Javaanse psyche’. Koloniale psychiaters in Nederlands-Indië 1900 – 1940. Een familiegeschiedenis. Die titel vat de inhoud van het boek al goed samen, Judi Mesman en Jaap van Weeghel lazen het voor Indisch Anders, met waardering: “…niet eerder werden zoveel inzichten over de koloniale psychiatrie in voormalig Nederlands-Indië bij elkaar gebracht. [..] De grote feiten over de rol die de psychiatrie gespeeld heeft in het bredere systeem van koloniale overheersing en onderdrukking komen helder voor het voetlicht.” En: “Hij heeft overtuigend aangetoond dat de psychiatrie een grotere plaats in de reflectie op onze koloniale geschiedenis verdient.”

Over voormalig Nederlands-Indië is al veel geschreven, maar de rol van de psychiatrie in de koloniale tijd was nog onderbelicht. Historicus Marens Engelhard heeft dit onderwerp opgepakt in zijn boek over het leven en werk van zijn grootvader Chris Engelhard (hierna aangeduid als Chris). Chris was een jonge, idealistische psychiater die in 1916, middenin de Eerste Wereldoorlog, met zijn gezin naar Java vertrok. Aan de hand van dagboeken, brieven en wetenschappelijke publicaties maakt Marens Engelhard de lezer deelgenoot van zijn grootvaders pogingen om de psyche van Javanen te begrijpen en hun psychische aandoeningen te behandelen. Ook zocht hij de plekken op waar Chris had gewerkt. Hij raadpleegde archieven en sprak met hulpverleners. Hij ontdekte dat het verhaal van zijn grootvader breder en complexer was dan hij had verwacht.

Marens Engelhard heeft de psychiatriegeschiedenis verweven met de petite histoire van Chris en zijn gezin tijdens hun verblijf op Java. Amy, de vrouw van Chris, had al bij voorbaat grote twijfels of een Nederlandse psychiater wat kan betekenen in een land waarvan hij de taal niet spreekt en de cultuur niet goed kent. Chris zelf dacht vooral in mogelijkheden: in Indië was goed werk te doen en je kreeg er al snel verantwoordelijkheid. Hem trok de ruimte, de natuur en het avontuur dat Indië te bieden had. De imperial space van de kolonie betekende ook de vanzelfsprekendheid van een vertrouwde omgeving in een ver land, met Nederlandse landgenoten, menu’s en architectuur, én dienstbaar personeel. Maar ook Chris zal in de loop der tijd twijfels krijgen. Naar aanleiding van een opstand in Djambi schreef hij ‘Wat doen wij Europeanen in dit vreemde land?’. Waarschijnlijk had Chris zich ook onvoldoende gerealiseerd dat gelijkheid met Indonesische vakgenoten ondenkbaar was binnen de koloniale verhoudingen. Hun professionele ontwikkeling werd eerder gehinderd dan gestimuleerd.

Begin 20e eeuw was de tijd van de zogeheten ethische politiek: voorheen had Nederland alleen maar geld onttrokken aan de kolonie, nu moest er een ereschuld worden ingelost. In deze politiek gingen ethiek en eigenbelang hand in hand. De regering erkende dat Nederland moreel verantwoordelijk was voor welvaart, rechtvaardigheid en bestuurlijke modernisering van Nederlands-Indië. Maar men vond ook dat Nederland de Indonesiërs als kinderen bij de hand moest nemen, op weg naar enige autonomie in een verre toekomst. Daarbij speelden ook psychiaters een rol, die inzicht in de ziel van de ‘inlanders’ zouden hebben. Zo ontstonden er theorieën over de Javaanse psyche.

De psychiatrie op Java
Marens Engelhard beschrijft hoe er eind 19e eeuw twee nieuwe gestichten werden gebouwd op Java, in Buitenzorg en Lawang. Daaraan was een vernietigend rapport over de slechte staat van de krankzinnigenzorg voorafgegaan. Dat rapport stelde ook dat Java maar 800 bedden nodig had. Men kwam volgens Marens Engelhard op dat lage aantal doordat veel geesteszieken buiten de stedelijke centra niet werden waargenomen. Meestal werden zij door hun familie in de dorpsgemeenschappen opgevangen.

Psychiatrisch ziekenhuis Dr Radjiman Wediodiningrat in Lawang in 2024 (foto Marens Engelhard)

Chris ging in het gesticht van Lawang werken. Naar Europees voorbeeld had dit gesticht diverse ambachtelijke werkplaatsen, ook met het oog op resocialisatie. En men geloofde in de kalmerende en structurerende werking van landarbeid. Men was heel trots op deze aanpak. Zo werd in 1934 een film gemaakt over leven en werken in de inrichting met voorlichtende teksten in het Frans en het Engels. Voor Europese patiënten was er geen arbeidstherapie, zij kregen kalmerende bed- en badverpleging. Later werd Chris geneesheer-directeur van de inrichting in Magelang, waar hij zijn idealen probeerde te verwezenlijken: een leefmilieu waarin alle patiënten ontplooiingskansen zouden krijgen in een gemeenschap waarin men voor elkaar verantwoordelijk was.

Marens Engelhard sprak met een Indonesische psychiater die de periode 1900-1930 de gouden eeuw van de psychiatrie in Indonesië noemde. Toen waren de gestichten nog dominant, terwijl tegenwoordig alleen kortdurende opnames mogelijk zijn. En waar toen de arbeidstherapie bloeide, hebben nu veel patiënten niets omhanden, aldus deze psychiater. Chris had juist oog voor de dubbelzinnigheid van patiëntenarbeid: was het arbeidstherapie of ordinaire dwangarbeid? De arbeidsmogelijkheden waren goed, maar de machtsverhoudingen niet. In de koloniale psychiatrie liepen uitbuiting en humanitaire gezondheidszorg door elkaar. En net als in andere maatschappelijke sectoren was er in de psychiatrie sprake van raciale en sociale segregatie. Juridisch gezien waren er drie categorieën: ‘Inlanders’, ‘Vreemde Oosterlingen’ en Europeanen. Geesteszieke Europeanen werden vaak terug naar Europa gestuurd. Volgens Marens Engelhard konden zij op Java het imago van de witte superioriteit schaden.

Javaanse patiënten en hun ziektebeelden
Omdat bij veel ziektebeelden culturele verschillen op de voorgrond treden, is contextuele en culturele kennis dan onmisbaar. Destijds werden er drie kenmerkende syndromen bij Javaanse patiënten waargenomen: amok, lattah en koro. Bij amok is er sprake van plotselinge woede en agressie, uitmondend in een soort kamikazegedrag. Amokmakers werden als ontoerekeningsvatbaar beschouwd. Bij lattah, oftewel hyper-imitativiteit, gingen patiënten anderen dwangmatig nabootsen. Zij waren zich daarvan bewust, maar konden het niet onderdrukken. Deze aandoening kwam vooral voor bij ‘vrouwen die in dienstbare beroepen werkten, zoals huisbediendes, kinderoppassen, kokkies of winkelhulpjes’ (p.129) die niet zelden te maken hadden met onderdrukking en uitbuiting. In het boek wordt hierbij een verband gelegd met de koloniale context, maar vermoedelijk zijn ook de van oudsher feodale verhoudingen op Java relevant voor het begrip van dergelijke ziektebeelden. Het derde syndroom was koro: een angstneurose waarbij patiënten bang waren dat hun penis zich in de buikholte terugtrekt, wat helemaal niet kan. Koro kwam vooral bij Chinese mannen voor. Mogelijk ging het om castratieangst. Daarnaast kwam bezetenheid veel voor: een tweede persoon naast jezelf of een andere persoon neemt bezit van jou.

Chris was ook een zeer actieve onderzoeker. Zijn gedrevenheid en inspanningen om wetenschappelijke kennis te vergaren over de psychische kenmerken van Javanen ten behoeve van betere diagnostiek zijn indrukwekkend. Voor zijn dissertatie deed hij experimenteel onderzoek waarbij hij Javaanse proefpersonen liet reageren op eenvoudige plaatjes. Het plaatjesinstrument was bedoeld als kapstok voor een goed diagnostisch gesprek. Hij deed een nulmeting bij 300 analfabete plattelandsbewoners, waarbij een inlandse assistent de interviews afnam. Het resultaat van het onderzoek was teleurstellend want de gesprekken kwamen niet op gang: de machtsafstand tussen het onderzoeksteam en de deelnemers was te groot en de setting te intimiderend. Chris promoveerde in 1923 bij professor Winkler in Utrecht. Voor zijn onderzoek naar ziektegeschiedenissen interviewde hij 500 patiënten en sprak hij ook met familieleden. Ook hierbij zette hij Javaanse assistenten in. Mogelijk ging dit beter omdat het patiënten betrof die al meer gewend waren aan de institutionele context. Wat betreft het voorkomen van schizofrenie zag hij geen grote verschillen met de situatie in Nederland. Daarnaast trof hij een grote categorie niet-zieken aan, die vooral slachtoffer waren van belastende sociale omstandigheden: de vele zwervers, armen, zieken en lichamelijk invaliden die door ellende gedreven ‘vreemd’ waren gaan doen zoals Marens Engelhard het noemt.

Rijbewijs van Chris Engelhard uit 1923

Het is duidelijk dat Chris alles op alles zette om authentieke kennis over de psychologie van het Javaanse volk te vergaren. Dat die queeste meerdere keren niet uitpakte zoals hij had gehoopt  door de totale ongeschiktheid van Europese methoden voor de Javaanse context zal de empathische lezer zeker sneu vinden, maar droeg ook onmiskenbaar bij aan zijn ontwikkeling als cultuur-sensitieve psychiater. In plaats van de Javaan een gebrek aan bereidwilligheid of intellect toe te dichten na een mislukt onderzoek, benoemde hij verschillen in culturele normen, een gebrek aan gelegenheid om bepaalde kennis op te doen, én schroom ten opzichte van de overheersende Europeaan als verklaringen voor ‘typisch Javaanse’ patronen van reageren. Van de zogenaamde kinderlijkheid van Javanen wilde Chris dan ook niets weten. Waar andere koloniale psychiaters hun opvattingen over de ‘onrijpe inlander’ stellig poneerden, leerde Chris van zijn onderzoek om juist heel voorzichtig te zijn en onzekerheid te moeten toelaten over de geestesgesteldheid van de Javaan.

Chris was in die zin een uitstekend voorbeeld van bezwaren tegen een historische visie die berust in de gedachte dat dingen toen nu eenmaal gewoon waren en mensen niet beter wisten. Ook in tijden dat onrechtvaardigheid, onderdrukking en gruwelijkheden door wet en beleid genormaliseerd werden, waren er altijd tegenstemmen van mensen die zich niet lieten afleiden door de tijdsgeest. Het was nooit ondenkbaar of onmogelijk om in een bepaalde tijd de toen geldende normen af te keuren en verbeteringen of hervorming na te streven. Chris volgde zijn eigen kompas in weerwil van de heersende koloniale visie op het Javaanse volk. Dat maakte Chris nog geen antikoloniaal, maar zijn uitgesproken kritische en nieuwsgierige houding maakte wel dat hij de koloniale retoriek over Javanen scherp doorzag en liever zelf onderzoek deed om niet te hoeven leunen op vooringenomen, politiek geïnspireerde kennis.

Lees verder in deel 2 –>

Foto bovenaan uit besproken boek: Patiënten bij het stadsverband (gevangenis) Soera­karta, 1919