Na de onafhankelijkheid van Indonesië bleef er een groep begeesterde Nederlandse ambtenaren en ingenieurs aan het werk ter ‘opheffing’ van hun voormalige landgenoten. Wim van den Doel beschreef de geschiedenis van deze ontwikkelingswerkers in Opheffers; Nederlanders en het ontwikkelen van de wereld 1945-1963, Henk Schulte Nordholt las het boek met plezier.
‘Opheffer’ was het pseudoniem van G.L. Gonggrijp, resident van Rembang, die aan het begin van de 20e eeuw in het Bataviaasch Handelsblad op kritische wijze zijn steun uitsprak voor de Ethische Politiek. De bevolking in Nederlands-Indië moest door middel van onderwijs, gezondheidszorg, kredietverschaffing en landbouwvoorlichting ontwikkeld worden. Belangrijke agenten van deze politiek waren ingenieurs en landbouwdeskundigen, en planning en projectmatig denken werden hoekstenen van de modernisering van de kolonie, die vaak op paternalistische wijze door de koloniale overheid werd uitgedragen.
Tegen het einde van de koloniale tijd was de Ethische Politiek al lang over zijn hoogtepunt heen, omdat er een gure, conservatieve wind in de kolonie was opgestoken, terwijl de Nederlandse machthebbers tijdens de economische crisis van de jaren dertig hun belofte meer welvaart te brengen niet konden inlossen.
Toch waren er nog steeds ethisch bevlogen ambtenaren en ingenieurs die na de onafhankelijkheid van Indonesië hun werk in voormalige koloniën wilden voortzetten. Zij werden in de periode 1945-1963 de pioniers van wat achtereenvolgens ontwikkelingshulp, ontwikkelingssamenwerking en internationale samenwerking zou gaan heten. Het boek van Wim van den Doel gaat over deze beginfase waarin het Westen zich opnieuw moest verhouden tot zijn voormalige koloniën, die een ongewis traject waren ingeslagen naar natievorming en economische opbouw.

Technocraten
De ‘opheffers’, zoals Van den Doel deze pioniers noemt, waren veelal oud-bestuursambtenaren en in Wageningen opgeleide ingenieurs, die hun sporen hadden verdiend met de ontwikkeling van koloniale infrastructuur en landbouw. Zij zwermden in de jaren vijftig de wereld over om technische adviezen te geven, rapporten te schrijven en leiding te geven aan projecten. Van den Doel schetst deze tussenfase, die vaak over het hoofd is gezien, aan de hand van levendige portretten van enkele protagonisten.
Zoals bijvoorbeeld John van Blommenstein, die als koloniaal waterstaatsingenieur in West- en Midden-Java had gewerkt. Hij zou bekend worden door zijn megalomane irrigatieplannen. In 1948 ontwierp hij een plan voor de bouw van twee stuwdammen en de vorming van reusachtige stuwmeren van waaruit een half miljoen hectare land moesten worden geïrrigeerd. Het bleek te duur en te riskant. Daarna zou hij aan de wieg staan van het Brokopondo-plan in Suriname; hij stelde de bouw voor van maar liefst vijftien dammen om elektriciteit op te wekken, visvangst te bevorderen en wat al niet. Over het lot van de bevolking die moest wijken voor de nieuwe stuwmeren maakte hij zich amper zorgen. Zijn plan ging niet door; het was te groots, te duur. Daarna dook hij nog op als projectleider in Oost-Pakistan, waar hij een nog groter irrigatieproject opzette. Ook dat mislukte. Kosten rezen de pan uit, er waren onvoorziene technische tegenslagen en Pakistaanse ingenieurs en de lokale bevolking waren totaal niet bij de plannen betrokken. Van Blommenstein vertegenwoordigde de technocraten die via grootschalige top-down projecten ontwikkeling wilden genereren.
Ontwikkelingsorganisaties
Tegelijkertijd werd de ontwikkelingssociologie geboren, toen deskundigen zich gingen realiseren dat ontwikkeling niet alleen een kwestie van techniek was, maar ook te maken had met cultuur en een samenleving die mee moest moderniseren. Exponent van deze visie was Egbert de Vries. Hij studeerde Tuinbouw in Wageningen, waarna hij een koloniale carrière maakte van landbouwconsulent in Buitenzorg tot topambtenaar in Batavia. Als jongen van het Zeeuwse platteland herkende hij veel in het gedrag van Javaanse boeren; hij pleitte voor een sociale en morele economie waarin modernisering van de samenleving en het dienen van de belangen van de bevolking hand in hand gingen. Na terugkeer in Nederland werd De Vries hoogleraar in Wageningen en na de oorlog groeide hij uit tot een internationaal erkende expert op het gebied van rurale ontwikkeling. Net als Van Blommenstein reisde hij naar Suriname en voegde hij zich bij de groeiende groep experts uit voormalig Nederlands-Indië die Paramaribo aandeden om adviezen te geven. Daarnaast raakte hij betrokken bij ontwikkelingsprogramma’s van de VN en trad hij in dienst bij de Wereldbank. Tevens speelde hij een centrale rol bij de oprichting van het Institute for Social Studies in Den Haag, en werd hij ook directeur van het NUFFIC, het samenwerkingsverband van Nederlandse universiteiten voor internationale samenwerking. De Vries was, kortom, de spin in het web van de institutionalisering van nationale en internationale ontwikkelingsorganisaties.
Community development
Tegenvoeter van de megalomane ingenieurs en de ontwikkelingsbureaucraten zoals De Vries, was Charles Olke van der Plas de belichaming van het community development denken. Opgegroeid op een landbouwonderneming in West-Java, ging hij aan het begin van de 20e eeuw Indologie studeren in Leiden; hij werd bestuursambtenaar, consul in Djeddah en ging daarna weer naar Java, waar hij zijn glanzende bestuurlijke carrière voortzette met als sluitstuk het gouverneurschap van Oost-Java tijdens de Revolutie. Van der Plas was een intrigerende figuur. Hij was ervan overtuigd dat de bevolking niet van boven af naar de moderniteit kon worden gedirigeerd, omdat ontwikkeling juist door die bevolking zelf gedragen moest worden. Na de onafhankelijkheid wilde Van de Plas niet terug naar Nederland, maar ging hij in dienst van de VN naar Saoedi-Arabië, Griekenland en Gambia, waar hij aan de slag ging als ontwikkelingswerker, wat hij tot op hoge leeftijd wist vol te houden.

Suriname
Terwijl Van der Plas nieuwe gebieden verkende, ging het meeste geld en de meeste mankracht van Nederland naar de overgebleven kolonies Suriname en Nieuw-Guinea, waar ook ontwikkelingsbeleid moest worden vormgegeven. Suriname had na de totstandkoming van het Koninkrijkstatuut in 1954 een eigen semi-autonome regering, die onder Nederlands toezicht stond. Het was een tamelijk hybride constructie, die alle ruimte liet voor Nederlands paternalisme en Surinaams ongemak. Een stoet van ingenieurs en andere adviseurs produceerde een reeks van rapporten. Grappend werd opgemerkt dat Suriname per hoofd van de bevolking de meeste rapporten had. Er kwam ook een allesomvattend tienjarenplan. De uitvoering van alle goede voornemens ging, op zijn zachtst gezegd, moeizaam. Nederland was van goede wil, maar in die tijd ook een arm land dat maar weinig geld te besteden had, terwijl er in Suriname nog geen kader aanwezig was om ambitieuze projecten te bemensen. Het modelproject met de veelbetekenende naam ‘Wageningen’ beoogde een gemeenschap van Nederlandse boerenbedrijven te stichten die als voorbeeld voor de bevolking moest dienen. Een ander landproject was bedoeld om armlastige Surinamers uit Paramaribo over te halen om een boerenbedrijfje te beginnen. Dat mislukte omdat de arme bevolking van Paramaribo daar helemaal geen zin in had. Ondertussen bleek de voltooiing van ‘Wageningen’ veel meer te kosten dan was voorzien.
Een nog groter project was de aanleg van de Brokopondo-dam. Nederland bleek er geen middelen voor te hebben en Suriname was eigenlijk te klein om zo’n groot project te kunnen absorberen. Toch mocht dit prestigeproject van de Surinaamse regering niet mislukken. Terwijl er telkens weer nieuwe rapporten verschenen en het tienjarenplan met enkele jaren werd verlengd omdat er te weinig resultaat was geboekt, werd het Brokopondo-project uit handen gegeven aan een Amerikaans bedrijf. De dam zou de trots van Suriname worden maar de armoede niet opheffen.

Nieuw-Guinea
In 1949 werd Nieuw-Guinea niet overgedragen aan Indonesië. Hiervoor waren verschillende redenen: het internationale aanzien van Nederland zou niet helemaal verloren gaan door een beetje koloniale aanwezigheid in Azië overeind te houden, Nieuw-Guinea kon een vestigingskolonie voor ontheemde Indo-Europeanen worden, die dan niet allemaal naar Nederland hoefden te migreren, en Nederlandse politici waren ervan overtuigd dat de bevolking van Nieuw-Guinea qua ontwikkeling een grote achterstand op de rest van de wereld had die alleen onder Nederlandse leiding snel ingehaald kon worden, terwijl er tegelijkertijd grote zorgen heersten over de gevolgen van een te snelle acculturatie waaraan kwetsbare Papoea-gemeenschappen onherroepelijk ten onder zouden gaan.
De belichaming van deze ingewikkelde spagaat was gouverneur Jan van Baal, die ervoor moest zorgen dat de Papoea’s binnen een redelijke tijd – hij dacht zelf aan vijftien jaar – op een verantwoorde manier de moderne wereld zouden worden binnengeloodst. Hoe moest het kleine, armlastige Nederland een gigantisch gebied, waar de helft van de 700.000 bewoners nog nooit een witte man had gezien, gaan ontsluiten, besturen, onderwijs en gezondheidszorg bieden, en economisch bij de tijd zien te krijgen?
Ondanks alle goede bedoelingen kwam er vrijwel niets van terecht. De paradox was bovendien dat Van Baal er hoofdzakelijk in slaagde een koloniaal bestuur te vestigen, terwijl het toch de bedoeling was om land en volk naar autonomie te voeren. De geschiedenis haalde de Nederlandse plannen snel in toen er in 1963 een einde kwam aan het koloniale bestuur en Nieuw-Guinea in afwachting van de overdracht aan Indonesië onder het tijdelijke beheer van de VN kwam.

Blinde vlek
Ondanks de vele mislukkingen had ontwikkelingshulp een vaste plek op de Nederlandse begroting gekregen, werden via NUFFIC en op het ISS deskundigen opgeleid en werd de bevolking via de NOVIB aangespoord geld te geven aan goede doelen overzee. Naast humanitaire overwegingen speelden geopolitieke belangen ook een rol. Armoede, zo vreesde men, zou hulpbehoevende landen immers in de armen van het communisme drijven.
Terugblikkend kan worden geconstateerd dat ingenieurs en andere ontwikkelingsdeskundigen met een koloniale achtergrond een blinde vlek hadden voor de nieuwe politieke omgeving waarin zij moesten opereren. In de kolonie had de Nederlandse machthebber de politiek geneutraliseerd, maar in de postkoloniale tijd waren er nieuwe, nationale elites ontstaan met eigen belangen, die zeggenschap wilden over grote projecten en soms helemaal geen boodschap hadden aan community development. Op lokaal vlak bleek bovendien dat een ‘community’ geen homogene en neutrale eenheid was, maar een krachtenveld waarin de buitenlandse expert heel voorzichtig moest navigeren. En dat hadden de koloniale deskundigen nooit geleerd. Daarom vertrok Van der Plas in 1972 uiteindelijk ziek en teleurgesteld uit Gambia, toen hij merkte dat Gambiaanse machthebbers hem eigenlijk maar lastig vonden.
Intussen waren er nieuwe inzichten ontstaan om ‘onderontwikkeling’ tegen te gaan. Exponent van deze benadering was de macro-econoom Jan Tinbergen. Die betoogde dat rijke westerse landen een klein percentage van hun nationale inkomen moesten investeren in de ontwikkeling van arme landen. Maar ook hij was blind voor de weerbarstige werkelijkheid waarin Koude Oorlog en lokale machtsverhoudingen vaak bepalender waren dan macro-economische statistieken.
Van den Doel heeft met dit mooie boek inzichtelijk gemaakt hoe koloniale opvattingen de eerste fase van de ontwikkelingshulp domineerden en hoe goede bedoelingen vaak stukliepen op een weerbarstige werkelijkheid.
HENK SCHULTE NORDHOLT
Opheffers. Nederlanders en het ontwikkelen van de wereld; 1945-1963, door Wim van den Doel, Prometheus, 2026
De foto bovenaan komt uit de fotocollectie Anefo, fotograaf Joop van Bilsen: Uitreiking Zilveren Broodmand door H.J. de Koster (voorzitter Nederlandse Vereniging van Meelfabrieken) aan prins Bernhard, in zijn functie als algemeen voorzitter van de Novib, in hotel De Wittebrug te Den Haag. Vlnr. prins Bernhard, prof. dr. ir. E. de Vries (vice-voorzitter Novib), F.J.G. baron van Voorst tot Voorst (voorzitter Novib) en H.J. de Koster, Den Haag, 27 maart 1962.
De overige afbeeldingen zijn afkomstig uit het besproken boek, behalve die van het echtpaar Gonggrijp, die komt van Wikipedia.
