Staatsieportret van Anton Nieuwenhuis en Margarethe von Uexküll-Güldenbandt

Een Borneoreiziger en een Baltische barones

Voor korte tijd, aan het begin van de twintigste eeuw, was Anton Nieuwenhuis (1864-1953) een held. Hij had drie keer Borneo doorkruist en twee lijvige boeken gepubliceerd over zijn ervaringen en waarnemingen. Hij had bovendien het geluk dat hij kort daarvoor zijn latere vrouw, de Baltisch-Duitse barones Margarethe von Uexküll-Güldenbandt (1873-1970), had leren kennen in de Plantentuin in Buitenzorg. Zij was daar aanbeland na het voltooien van een plantkundig proefschrift aan de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich. Over dit tweetal schreef Claartje Bunnik een dubbelbiografie, De Borneoreiziger en de barones. Siegfried Huigen las het boek voor Indisch Anders.

Staatsieportret van Anton Nieuwenhuis en Margarethe von Uexküll-Güldenbandt
Anton Nieuwenhuis en Margarethe von Uexküll-Güldenbandt

Anton Nieuwenhuis groeide op in Deventer en vertrok als militair arts naar Nederlands-Indië. Daar nam hij deel aan drie wetenschappelijke expedities op Borneo. De eerste expeditie in 1894 richtte zich op het gebied van de Boven-Kapoeas. Het oorspronkelijke doel om Borneo — het op twee na grootste eiland ter wereld — van de west- naar de oostkust te doorkruisen, werd echter niet bereikt. Hij legde zijn ervaringen tijdens deze expeditie vast in een dagboek, dat bewaard is gebleven en later de basis vormde voor zijn eerste boekpublicatie, Centraal-Borneo (1900).

De tweede expeditie naar Borneo waaraan hij deelnam, duurde bijna twee jaar, van februari 1896 tot november 1897. Dit was een reis van de westkust (Pontianak) naar de oostkust (Samarinda), een tocht van ongeveer duizend kilometer. De derde expeditie overtrof echter alle voorgaande tochten. Nieuwenhuis was toen maar liefst tweeënhalf jaar onderweg. Van deze laatste reizen was Nieuwenhuis ook de expeditieleider. Terug in Nederland heeft hij in samenwerking met Margarethe von Uexküll over deze twee en ook nog eens de eerste expeditie een rijk geïllustreerd, Duitstalig boek samengesteld, Quer durch Borneo (1904/1907). Daardoor kon zijn werk ook de internationale wetenschappelijke wereld bereiken.

Expeditie
Het reisgezelschap van de Borneo-expeditie van 1896. V.l.n.r. plantenverzamelaar Lahidin, bediende Midan, expeditieleider Nieuwenhuis met aan zijn voeten zijn hond Sultan, jager Von Berchtold, fotograaf Demmeni en plantenverzamelaar Djaheri. De plantenverzamelaars waren uitgeleend door de directeur van Buitenzorg.

Tijdens de expedities verzamelde Nieuwenhuis grote hoeveelheden zoölogische, botanische en etnografische objecten. Deze collecties werden overgebracht naar musea en instituten in Batavia en Nederland, zoals het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie en het Rijks Ethnografisch Museum in Leiden. Hij verrichtte daarnaast etnografisch onderzoek, waarbij hij zeden en gewoonten van de Dajaks beschreef. Opmerkelijk is zijn aandacht voor tatoeagekunst van de Dajaks. Hij gaf gedetailleerde beschrijvingen van het gebruik en de culturele en sociale betekenis ervan, en verzamelde tatoeage-instrumenten en tekende en fotografeerde de tatoeages die een eeuw later voorbeelden werden voor zogenaamde ‘tribal tattoos’ in Californië. Hoewel hij in opdracht van de directeur van het Rijks Ethnografisch Museum aanvankelijk lichaam- en schedelmetingen deed, ontwikkelde hij later een eigen vorm van ‘participerende observatie’, vergelijkbaar met de manier waarop de befaamde Poolse antropoloog en grondlegger van de sociale antropologie Bronisław Malinowski dit later in Nieuw-Guinea beoefende, door langdurig onder de inheemse mensen te verblijven en hen met empathie te benaderen.

Op grond van dit veldwerk werd Nieuwenhuis in 1904 benoemd tot hoogleraar Volkenkunde in Leiden. Volgens Bunnik was een universitaire loopbaan voor Nieuwenhuis echter tweede keus, omdat men hem geen aanstelling als civiel ambtenaar in Indië wilde gunnen. De benoeming wekte in academische kring ook veel tegenstand, want hoewel Nieuwenhuis een gepromoveerd arts was en een etnograaf met veel praktijkervaring, miste hij de theoretische scholing in het vak. Christiaan Snouck Hurgronje achtte Nieuwenhuis daarom ‘geheel ongeschikt’ voor de functie, bekritiseerde zijn werk en wees op Nieuwenhuis’ slechte spreek- en schrijfvaardigheid. Naar verluidt had Snouck de ergste taalfouten gezuiverd uit Nieuwenhuis’ eerste Borneo-boek. Inderdaad is het mij bij een vluchtige lectuur van Nieuwenhuis’ hoofdwerken ook opgevallen dat Centraal Borneo een wat onbeholpen indruk maakt. Quer durch Borneo leest veel beter en dat is vrijwel zeker de verdienste van zijn vrouw geweest.

Als docent schijnt Nieuwenhuis zijn studenten weinig te hebben geïnspireerd en zijn wetenschappelijke werk heeft ook geen navolging gehad, wat deels te wijten was aan een paradigmawisseling in de antropologie. De evolutionaire antropologie die hij beoefende, waarbij culturen op beschavingstreden werden geplaatst en een koloniaal perspectief doorwerkte, had zijn langste tijd gehad toen hij aan zijn loopbaan begon. Hoewel hij nog een tijdje rector is geweest van de Leidse universiteit, raakte hij al tijdens zijn leven in de vergetelheid. Alleen een zangvogeltje (Brachypodius nieuwenhuisii) en een kleine bergketen in Sarawak (Banjaran Gunung Nieuwenhuis in Oost-Kalimantan) dragen nog zijn naam. Noch in Leiden noch in Deventer zijn er straten naar hem vernoemd.

Woonhuis van Anton Nieuwenhuis in Leiden
Het Kasteeltje aan de Jan van Goyenkade in Leiden (collectie M.J. Herfst)

De barones
Nieuwenhuis’ aristocratische echtgenote, Margarethe von Uexküll Güldenbandt, had haar eigen verdiensten en krijgt in het boek een gelijkwaardige plaats naast haar man. Bunnik had tijdens het onderzoek naar Nieuwenhuis vastgesteld dat zij evenveel aandacht verdiende als haar echtgenoot. Ze kon daarvoor gebruikmaken van Margarethe’s memoires en andere autobiografische teksten. De lezer kan Margarethe daardoor volgen vanaf haar jeugd in het Baltische deel van het tsarenrijk, via een studie plantkunde aan de universiteit Zürich, waar ze onder meer Albert Einstein leerde kennen, haar onderzoek in Buitenzorg, waar ze de eerste vrouwelijke onderzoeker was, tot haar Leidse jaren.

Vanwege de heersende vooroordelen was een wetenschappelijke carrière na haar huwelijk uitgesloten. In plaats hiervan gaf ze haar ambities een andere vorm. In Nederland speelde ze een voorname rol op politiek en humanitair gebied en bouwde zij een groot netwerk op, waartoe onder meer de in 1918 naar Nederland gevluchte Duitse keizer en Prins Hendrik behoorden. Al vroeg sloot ze zich aan bij de vrouwenkiesrechtbeweging en zij vervulde daarin een prominente rol. Haar levenswerk was de ‘Centrale voor Vacantiekinderen’, die ze tijdens de Eerste Wereldoorlog had opgericht. Deze organisatie zorgde vooral voor de opvang van ongeveer 60.000 ondervoede kinderen uit Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, toen beide landen tijdens de oorlog te maken kregen met een blokkade van de voedseltoev­oer. Deze ‘bleekneusjes’ en ‘hongerkinderen’ werden ondergebracht bij Nederlandse gastgezinnen en in tehuizen. Een poging om na 1923 ook kinderen uit de Sovjet-Unie op te vangen mislukte, deels door afwijzing van de Sovjet-autoriteiten, die de nood ontkenden. Na het beëindigen van de Centrale voor Vacantiekinderen zette Margarethe in 1931 haar werk voort voor de Vereniging voor Internationaal Jeugdverkeer.

Twee problemen
De Borneoreiziger en de barones is weliswaar een goed geschreven boek, maar vanuit wetenschappelijk oogpunt zijn er twee problemen. Bunnik verklaart in de proloog dat ze zich bepaalde vrijheden heeft veroorloofd zodat de lezer zich beter in de hoofdpersonen kan inleven: ‘Die vrijheden betroffen nooit de historische feiten als zodanig maar wel de wijze waarop zij die naar alle waarschijnlijkheid beleefd hadden. Sommige passages zijn een hervertelling van hun eigen teksten, waardoor het verhaal dicht bij hun eigen werkelijkheidsbeleving blijft’ (p. 13). Op zichzelf is dit ongedocumenteerd toeschrijven van beleving aan historische actoren al riskant omdat het minstens uitloopt op hineininterpretieren. Dit draagt bij aan de levendigheid, omdat de biografische personages een soort romanfiguren worden, maar de historische waarschijnlijkheid ervan valt in Borneoreiziger meestal niet te verifiëren omdat Bunnik in het algemeen erg zuinig is geweest met bronverwijzingen. Daardoor is heel veel van wat in het boek wordt beweerd grotendeels oncontroleerbaar voor de lezer.

Het langhuis van Kajan hoofdman Akam Igau in Tandjong Karang, 1896 (foto Jean Demmeni, Universitaire Bibliotheek Leiden)

Deze toeschrijvingen van gevoelens en gedachten betreffen voornamelijk de hoofdpersonen, maar soms gebeurt dit ook met inwoners van Borneo. Een voorbeeld hiervan is de beschrijving van de drijfveren en gevoelens van de sultan van Koetei tijdens een ontmoeting met Nieuwenhuis, waarbij lijkt te worden gesuggereerd dat de beweringen hierover deels zijn geïnspireerd door aantekeningen van Nieuwenhuis. Maar een bronverwijzing ontbreekt.

“De sultan had het gezelschap hier uitgenodigd omdat hij zelf degene wilde zijn die de reizigers terugbracht in Samarinda. Daarmee was meteen duidelijk dat hij de expeditie geheel en al steunde en zo straalde de glans van het succes ook op hem af. Dat de sultan in werkelijkheid helemaal niet content was met de bemoeienissen van Nieuwenhuis kon de laatste op dat moment niet weten, want tegen de assistent-resident in Samarinda en de gouverneur-generaal in Batavia had de sultan niets dan mooie woorden geuit over de onderneming. Veel later pas, bij de volgende expeditie, zouden de ware gevoelens van de sultan duidelijk worden.” (p. 122-123)

Een tweede tekortkoming is dat grotendeels wordt voorbijgegaan aan de twee hoofdwerken van Nieuwenhuis, Centraal Borneo en Quer durch Borneo, terwijl ze toch de kern van zijn wetenschappelijke oeuvre vormen. In een bespreking van Nieuwenhuis’ etnografische methode in hoofdstuk 10 ontbreken beide hoofdwerken; althans, er wordt niet naar verwezen in de eindnoten. Zijn belangrijkste publicatie, Quer durch Borneo, blijft goeddeels onbesproken en wordt in het hele boek — als ik het goed geteld heb — alleen viermaal als bron genoemd. De Borneoreiziger en de barones is daarom weliswaar prettig leesbaar, maar heeft wat Nieuwenhuis’ werk betreft helaas een beperkte waarde.

SIEGFRIED HUIGEN

De Borneoreiziger en de barones; De bijzondere levens van Anton Nieuwenhuis en Margarethe von Uexküll Güldenband, door Claartje Bunnik, Walburg Pers

Voor een eerdere bijdrage van Siegfried Huigen aan Indisch Anders,  zie Opgroeien tijdens apartheid, een deel uit de serie Het voetspoor van Indische boeken.