In Japanse gevangenschap vanuit Chinees perspectief

Esther Wils las In Japanse gevangenschap; Een persoonlijk verhaal van internering in Nederlands-Indië door de bekende Chinees-Indonesische schrijver en journalist Nio Joe Lan. Hij werd in april 1942 door de Japanse bezetter opgepakt en samen met meer dan vijfhonderd andere Chinezen bracht hij de gehele bezettingsperiode door in interneringskampen op Java. Over zijn drie-en-halfjarige internering deed Nio Joe Lan in 1946 gedetailleerd verslag in zijn boek Dalem tawanan Djepang (In Japanse gevangenschap). Dit boek is pas recentelijk vertaald; voor het eerst sinds het einde van de Japanse bezetting kunnen wij in het Nederlands kennisnemen van het leven in Japanse kampen vanuit Chinees perspectief.

Omslag In Japanse gevangenschap

‘…op 15 augustus, bij zonsondergang, toen een paar vrienden en ik op een lange bank op de binnenplaats voor onze kamer zaten en de opkomende maan bewonderden, vertelde meneer Lauw Seng Thwan, die in de keuken werkte, dat volgens zeggen alle corveediensten zouden worden stopgezet. Als dit waar was, betekende dat dat het einde van het kampleven al zeer nabij was! Tegelijkertijd fluisterde iemand dat Japan zich had overgegeven! Het hele kamp gonsde van het nieuws!’

Op 28 augustus is het zo ver en vertrekken de Chinezen uit Cimahi. Wat er daarna allemaal gebeurt, krijgen we niet te horen, maar het feit dat Nio Joe Lan later de Indonesische naam Junus Nur Arif heeft aangenomen, doet nog heel wat ‘belevenissen’ vermoeden, al handhaaft hij zich als gerespecteerd journalist en schrijver.

Portret van Nio Joe Lan, circa 1940
Portret van Nio Joe Lan, circa 1940

Nio Joe Lan (1904-1973) werd geboren in Batavia en schreef vóór WO II als journalist over Chinese tradities en cultuur, in de eerste plaats voor Chinese kranten, maar ook in het Nederlands en het Engels, o.a. voor De Indische Gids en Koloniale Studiën — zo lezen we op de website van het Chinese Indonesian Heritage Center. Het initiatief voor de vertaling — uit het Melayu Betawi — van Nio’s oorlogsverslag uit 1946 lag hier: voorzitter Patricia Tjiook-Liem, onvermoeibare voortrekker op het gebied van de Chinees-Indonesische geschiedenis, kwam in contact met Nio’s schoondochter en verkreeg van haar de rechten, en zette vertaalster Maya Sutedja-Liem aan het werk — met een puike, soepele en onderhoudende tekst als resultaat.
Kan een oorlogsverslag dan onderhoudend zijn? Nio bewijst van wel. Hij verzwijgt het leed en de ellende niet — opgesloten zijn, afgesloten van de eigen familie en overgeleverd aan de grillen van inderdaad wisselvallige en onderling behoorlijk verschillende Japanners, is geen sinecure, maar hij en zo te lezen ook de meeste andere Chinezen dragen hun gevangenschap zo goed en zo kwaad als het gaat. Nio heeft zowel een poëtische inslag als humor en een analytische geest. Dat maakt het mogelijk dat hij ook in de drie-en-half jaar internering gevoelig blijft voor schoonheid en komische of curieuze situaties, en de zaken helder op een rij houdt.
Zo is zijn boek ook ingedeeld: zeer ordelijk. Het bestaat uit drie delen, die zich afspelen op de drie plekken waar hij vastgezeten heeft: de gevangenis Bukit Duri in Batavia, de gevangenis in Serang en het enorme interneringskamp in Cimahi — beide gevangenissen zijn tot op heden niet opgenomen in overzichten van de Japanse interneringskampen; daarmee alleen al heeft het boek in het Nederlands een late primeur.
De delen behandelen thematisch allerlei zaken die de gevangenen aangaan, onder aansprekende hoofdstuktitels, waaronder: ‘Opgepakt’, ‘Het gevangenisregime’, ‘200 gram – 300 cc – calorieën!’, ‘Feestdagen in de cel’, ‘Engkoh [lett.: oudere broer, aanspreekvorm], heb je al een bad genomen?’, ‘Zorgen voor geest en lichaam’, ‘Leiders en regels’ en ‘Attentie! Attentie!’ – over het omroepen, dat structuur aan de dag gaf:

‘Het was de stem van meneer Liem Sie Hian die met zijn ‘luid spreker’ een plek had ingenomen voor de put. De luidspreker was een zinken emmer zonder bodem. Ook al was het primitief, toch was deze luidspreker perfect, want de aankondigingen van meneer Liem waren tot in de hoeken van ons ‘paleis’ te horen. […] De kreet ‘Attentie! Attentie!’ had een belangrijke plaats in het leven van de Chinese geïnterneerden in Serang. Het gaf richting aan hun leven. In de oren van meer dan 520 Chinese gevangenen en twee gevangenen uit Ambon zou deze nog lang naklinken: ‘Attentie! Attentie graag!’

Voor de deur van de slaapbarak. Oostindische inkt op geel papier. Beeldbank WO2, Museon, A.J.L. de Geer Boers

Bron van kennis
Zoals mevrouw Tjiook-Liem in haar informatieve inleiding opmerkt, is het werk van Nio opvallend a-politiek. Hij legt in zijn voorwoord wel kort en bondig uit waarom de Chinezen werden opgepakt:

‘De komst van de Tweede Wereldoorlog was onvermijdelijk. De gevolgen ervan waren groter dan die van de Eerste Wereldoorlog, omdat bij de Tweede Wereldoorlog drie oorlogen samenkwamen: 1) de Chinees-Japanse Oorlog, die door Japan werd begonnen met de beschieting van Chinese troepen bij Lugouqiao (Marco Polobrug) op 7 juli 1937; 2) de oorlog in Europa die uitbrak nadat Duitsland Polen binnenviel op 1 september 1939, en 3) de Pacific Oorlog in de Stille Oceaan, die op 7 december 1941 begon met het bombardement van Japan op Pearl Harbor. Daardoor werd de hele wereld letterlijk meegesleurd in de oorlog. Dat gold ook voor Indonesië. Toen bezette Japan Indonesië. Het was te voorzien dat dit gevolgen zou hebben voor leiders van de Chinese gemeenschap en journalisten die deelnamen aan de Chinese nationalistische beweging of deze steunden. En inderdaad. Zes weken na de capitulatie van Nederlands-Indië begonnen de Japanners leiders van de Chinese gemeenschap en journalisten te arresteren.’

Het is nergens te vinden wie wat heeft gedaan aan de verklarende woorden- en namenlijst, maar het moet aan de dames Tjiook-Liem & Sutedja-Liem en hun adviseurs te danken zijn dat wie dat wil toch heel veel wijzer kan worden over de achtergrond van deze Chinezen die de oorlog in gevangenschap doorbrachten; een aantal belangrijke figuren is met een korte biografie toegelicht, waardoor de bandbreedte van de Chinese activiteit in Indië in beeld komt — in zaken, bestuur, de medische wereld, journalistiek, maatschappelijke organisaties, al dan niet georiënteerd op het koloniale bewind, al dan niet gelieerd aan de Chinese nationalistische beweging — en de rijkdom aan verenigingen. Verschillende specialismen kwamen in gevangenschap natuurlijk zeer van pas: organisatorisch talent, medische of andere wetenschappelijke kennis, zoals scheikunde: van urine kan je gist maken om brood mee te bakken. Het studieuze is een constante: er wordt veel gelezen en Nio noemt meermaals de uren die Chinezen erin steken om Mandarijn of Engels te leren – met dat laatste doel wonen ze in Cimahi zelfs kerkdiensten bij. Ook over boeiende zaken als de spellen waarmee ze de tijd doden, het eten dat ze maken, ontvangen of kopen, de Chinese feestdagen, poëzie, muziek, de kleding, de natuur (voor zover ze daar iets van te zien kregen), en typisch Chinese begrippen valt er een boel te leren.

Urine verzamelen. Waterverf op karton. Beeldbank WO2, Museon, collectie A.J.L. de Geer Boers

Kongsi
Interessant en in Nio’s relaas steeds terugkerend is het begrippenpaar kongsi en het daarvan afgeleide kong, dat in de lijst zo wordt toegelicht: ‘In de kampen Bukit Duri en Serang beheerde een kong de financiën en inkomsten van alle Chinese geïnterneerden. De kong in kamp Cimahi was een groep van 5-8 personen met een gezamenlijk belang: het verdelen van binnengekomen goederen.’ Aanvankelijk, in beide gevangenissen, werkte de kong zoals bedoeld in een kongsi: ‘[een] handelsvereniging gebaseerd op een zakelijk samenwerkingsverband. Het uitgangspunt is de bundeling van krachten, zoals familie of kapitaal, van waaruit gewerkt kan worden. Een kongsi kan een onderneming, bedrijf of firma zijn.’ Het wekt bewondering hoe efficiënt de groep een financieel systeem opzette, voor alle leden zorgt en de noodzaak van een verstandige en onpartijdige leiding erkent. Chinese discipline, denk je onwillekeurig, in positieve zin, ingegeven door realisme en vertrouwen — dat in Nio’s verhaal aanvankelijk niet beschaamd wordt; hij noemt in tegendeel steeds meer blijken van onderlinge behulpzaamheid, ook van de Chinezen die buiten zitten en zorgen voor een constante aanvoer van extra eten (‘Intussen zat Hua Chiao Chung Hui Bandung niet stil. In de laatste maand van onze gevangenschap in Cimahi, stuurde deze vereniging elke dag meer dan 1000 lontongs naar Gunung Bohong’) en spullen — ook volumineuze, zoals matrassen.
In Cimahi, waar de financiële administratie anders geregeld wordt, gaan de kleinschaliger kongs juist een obstakel vormen, constateert Nio, die zich er dan ook van afkeert.

‘In mijn kamer was er van de oorspronkelijke acht mensen slechts één die niet meedeed met de “kong”. Later stapte er nog een persoon uit en uiteindelijk volgde ook ik diens voorbeeld. Zodoende herkreeg ik mijn vrijheid — hoewel mijn vrijheid al was afgenomen door de Japanners — om te doen wat ik wilde met mijn deel van de goederen. Ik kon suiker of iets anders aanbieden aan mensen van wie ik wist dat ze suiker tekortkwamen, zonder de “kong” om goedkeuring te hoeven vragen.’

Dat is wel een aap die aan het slot uit de mouw komt: zo positief als Nio alles voorstelt, blijkt het niet te zijn geweest. In het zeer korte hoofdstukje met de veelbelovende titel ‘De menselijke natuur’ stelt hij:

‘Een van de gebreken van onze maatschappij is de aanbidding van geld. Mensen die veel geld hebben worden altijd opgehemeld en geprezen. Wie denkt dat onder de Chinese geïnterneerden, die over het algemeen als een “select gezelschap” werden beschouwd, er niemand was die zich zo gedroeg, vergist zich. Want hoewel we allemaal “in hetzelfde schuitje zaten”, behandelden de meeste mensen anderen niet als gelijken. Degenen die bekendstonden als een “hoge piet” of “een beroemdheid” kregen altijd een voorkeursbehandeling.’

Het was interessant geweest als Nio, met zijn fijnzinnige opmerkingsgave en zijn goede pen, dergelijke constateringen door zijn hele verhaal had geweven. Nu komt het als een domper; het leek zo mooi op orde. Maar al met al is het een belevenis In Japanse gevangenschap te lezen. Als ik de maan zie, zal ik aan Nio en zijn Prinses van de Nacht denken.

‘Het was onbewolkt, de maan was helder, het water in de waterbak reflecteerde het schijnsel van de lachende Prinses van de Nacht. We raakten ontroerd toen er Chinese, westerse en keroncong muziek werd gespeeld en we Bengawan Solo, Kembang Kacang en andere liederen hoorden spelen. Terwijl de heren Oei Ngo Djie (Semarang) en Tan Wan Tiong (Cirebon) dansten, zongen en elkaar met pantuns probeerden te overtroeven, steeg het geluid van gelach en applaus op in de smalle binnenplaats.’

ESTHER WILS

In Japanse gevangenschap; Een persoonlijk verhaal van internering in Nederlands-Indië, door Nio Joe Lan, vertaling Maya Sutedja-Liem, uitg. Walburg Pers