Onlangs verscheen Nederlanders groeten niet. Een boek over Curaçao, geschreven door Anton Stolwijk – bij lezers van Indisch Anders wellicht bekend van het prachtboek Atjeh. Net als in dat boek verweeft Stolwijk in zijn nieuwe geesteskind hedendaagse decors, scènes en gesprekken met historische feiten, maar zijn verteller is ‘onbetrouwbaar’ geworden, constateert Esther Wils. Zij was van haar à propos van het resultaat en legde de schrijver een aantal vragen voor.

Esther Wils: Het begint eigenlijk al met de tegenstrijdige titel: Nederlanders groeten niet. Een boek over Curaçao. Gaat het over Nederlanders of over Curaçao? De negativiteit knalt er meteen vanaf: de inwoners van Curaçao hebben kennelijk weinig op met de Nederlanders en de auteur is wat beduusd over deze vooringenomen ontvangst, waarbij de schrik wellicht vermengd is met het schuldgevoel van de zoveelste buitenstaander die iets komt halen voor eigen ‘gewin’. Dat moeten wel overheersende gevoelens zijn geweest, denk je als lezer, als ze zelfs de titel gekoloniseerd hebben.
Anton Stolwijk: Ik weet niet zo goed waar je die negativiteit precies vandaan haalt, dat valt toch wel mee?
Ben jij ooit op Curaçao geweest? Het is een bijzondere en vaak verwarrende ervaring. Zeker als je al je hele leven – zoals ik – hebt aangenomen dat we in een postkoloniale tijd leven. Ik hoop dat ik deze verwarring op de lezer heb kunnen overbrengen in mijn boek, en ook in de titel. Want dat is waar het boek over gaat: hoe verwarrend het is om Nederlander te zijn in een Nederlandse kolonie. Een onderwerp waar al vele eeuwen mee geworsteld wordt, zoals jij natuurlijk maar al te goed weet uit de Indische literatuur.
Ik ben niet op de Antillen geweest, maar voelde me in Indonesië en zeker Zuid-Afrika ook zeer ongemakkelijk. Dat gevoel herken ik wel, al word je daar niet zo om de oren geslagen met de argwaan, rancune, scepsis van de bewoners als jij kennelijk op Curaçao. De vraag lijkt me wat we daar generaties na dato mee aan moeten. We kunnen ons niet schuldig voelen aan iets waar we geen deel aan hebben gehad.
Het grote verschil tussen Indonesië en Curaçao is natuurlijk dat het koloniale verleden in Indonesië is afgesloten. Uiteraard zijn er nog allerlei invloeden te zien, en verhalen te vertellen, maar toch: die geschiedenis heeft een kop en een staart, de onafhankelijkheidsoorlog is gewonnen. Als Nederlander is het er soms weleens ongemakkelijk, maar zoals je zegt: het heeft weinig zin om je persoonlijk schuldig te voelen over dingen die andere mensen tweehonderd jaar geleden hebben gedaan. Het is natuurlijk wel goed om te weten wat er gebeurd is, en je een beetje bescheiden op te stellen, en eventuele resterende misstanden proberen recht te zetten, zoals roofkunst in musea.
Op Curaçao is de situatie heel anders. Zoals meerdere mensen in het boek zeggen: het verleden is er helemaal niet afgesloten, er zijn hoogstens wat flauwe bochten genomen. De afschaffing van de slavernij, het oplossen van de problemen omtrent landbezit, de sluiting van de olieraffinaderij – het was allemaal even halfslachtig. Daarnaast is er een duidelijk, formeel vastgelegd koloniaal heden. Curaçao is op allerlei gebieden volledig afhankelijk van Nederland, en Curaçaoënaars hebben geen stemrecht voor de Tweede Kamer. Dit alles bepaalt de sfeer nogal sterk, merkte ik.
Als je aankomt op Curaçao, val je onmiddellijk onherroepelijk in de categorie Nederlandse buitenstaander, wat je verder ook aan goede bedoelingen meeneemt. Ik heb rond het jaar 2000 een jaar in Zuid-Afrika gezeten, en daar ervoer ik iets soortgelijks – maar op Curaçao voelde ik het bijna nog sterker. Hoewel het, vooral als je het Papiaments écht goed leert, wel mogelijk schijnt om de muur tussen Nederlanders en Curaçaoënaars enigszins te slechten – maar dat heb ik zelf niet kunnen ervaren.
Al heel snel in het boek constateer je dat het een vergissing was om geen Papiamento te leren voordat je op reis ging; men had je verteld dat je met Nederlands toe zou kunnen, maar dat bleek anders te liggen. Je hebt twee reizen aan elkaar gelast bij het schrijven; was het niet logisch geweest tussentijds alsnog de taal te leren, of het project uit te stellen totdat dat was gelukt? Of is het een verkapte vorm van kritiek en eventueel zelfkritiek: uiteindelijk zijn de Hollanders als gasten te beroerd om de lokale mensen op hun termen te begrijpen, zoals ze ze ook niet groeten?
In werkelijkheid verstond ik, zeker bij mijn tweede reis, wel wat meer Papiaments dan de verteller. Maar ik vond het mooi om de verteller in de lange, lange traditie te plaatsen van Nederlanders die dikke boeken over Curaçao schrijven zonder de taal te spreken. Net zoals ik het bijvoorbeeld ook mooi vond om de verteller voortdurend te laten klagen over de hitte – nog zo’n lange traditie in de Antilliaanse passantenliteratuur. Hij moest een buitenstaander blijven.
Je schrijft regelmatig iets in de trant van ‘daar wil ik nog even over nadenken’, maar we krijgen je nadere gedachten zelden te lezen; waren ze niet geschikt om aan het publiek voor te leggen? Ik kreeg het gevoel dat je kijk op de zaken vaak negatief was, in de zin van: dat wordt nooit wat – en dat blijkt hier en daar ook uit opmerkingen tussendoor over verschillende van je gesprekspartners, die soms wat karikaturaal worden afgeschilderd –, maar dat je het niet aandurft dat onder woorden te brengen.
Ik hoop dat de weifelende, weinig uitgesproken verteller ertoe leidt dat de lezer op zijn minst de illusie zou krijgen zelf conclusies te kunnen trekken en analyses te maken. Uit je vragen maak ik op dat ik daarin wel enigszins geslaagd ben, hoewel ik van lezers ook wel hoor dat ze wat positievere conclusies trekken dan jij. Ik heb geprobeerd karikaturen te vermijden in mijn beschrijvingen. Sommige interviews, bijvoorbeeld met een clubje cryptohandelaars, heb ik om die reden zelfs helemaal weggelaten. Ik dacht: als ik deze gesprekken letterlijk opschrijf, geloven mensen me echt niet meer.

Is niet exploitatie in algemene zin, het kapitalisme, daar de boosdoener? Daarvoor hoef je het land niet eens politiek in te lijven.
Het kolonialisme lijkt me een verschijningsvorm van het kapitalisme. Een archaïsche, vanuit kapitalistische blik bezien niet erg efficiënte vorm, want het moederland moet ook allerlei dingen regelen die alleen maar geld kosten, zoals onderwijs en gezondheidszorg. Ik heb altijd het gevoel gehad dat de dekolonisatiegolf ook een soort privatiseringsgolf is geweest, in ieder geval in theorie: de bedrijven uit het voormalige moederland zouden hun winsten kunnen behouden, terwijl de kosten van het bestuur worden afgestoten.
Maar op Curaçao is die beweging, om allerlei redenen, maar half van de grond gekomen. Hoe interessant is het wel niet, dat Nederland al vele decennia dolgraag van Curaçao af wil. Het eiland kost de Nederlandse overheid geld, daar wordt in Nederland doorlopend over geklaagd. En veel Curaçaoënaars zitten, zoals je hebt kunnen lezen, ook niet erg op de Nederlanders te wachten. Maar de twee landen zitten aan elkaar vastgeketend, en het is bijna onmogelijk om die knoop nu nog te ontwarren.
Tijdens je presentatie heb je met zoveel woorden gezegd dat je niet erg op je gemak was op het eiland – en dus ook met de mensen, denken wij erbij; had je dat als schrijver niet kunnen thematiseren? Ik vraag me af of het recept van een als personage opgevoerde verteller werkt als diens emoties zo diffuus blijven. Misschien stond het driedubbele (literair, journalistiek, historisch) karakter van het boek dat in de weg: je hebt een persoonlijk perspectief gebruikt, namen veranderd en verhalen samengevoegd, dus literaire procedés van fictie toegepast, maar het boek biedt ook een thematisch overzicht van de geschiedenis, opgeknipt over de verschillende hoofdstukken. Daarbij leidt het journalistieke karakter van de reportage misschien meer af van de historische toedracht dan dat het bijdraagt tot het begrip, aangezien er geen scherpe analyse volgt. Het spijt me, maar ik moest inderdaad denken aan het contrast met Revolusi van David Van Reybrouck; die gebruikt ook geschreven bronnen én getuigenissen, maar komt ook met zijn eigen analyses en formuleringen, die een scherp licht werpen op de geschiedenis.
Bij je eerdere boeken had ik ook al het gevoel dat je veel subtiliteit van de lezer vraagt, misschien wel meer dan die in huis heeft. Zo wordt de lezer door de ondertitel van dit boek, Een boek over Curaçao, al meteen op het verkeerde been gezet – hij moet dus eigenlijk denken: een boek over de blik van een Hollander op Curaçao. Ik ben er nog niet uit wat ik ervan vind; kan je van een lezer verwachten dat hij begrijpt dat wat als een documentair boek gepresenteerd wordt, een reis- en onderzoeksverslag, eigenlijk voor een essentieel deel fictie is? Misschien ga je bij een volgend boek helemaal op fictie over? Dat lijkt me best voor de hand liggen, als je je zo weinig op je gemak voelt bij het expliciet maken van zaken.
Geen enkel non-fictieboek bestaat voor de volle 100% uit non-fictie, ook de boeken van David Van Reybrouck niet, zoals hij zelf ook toegeeft. Maar waar is de grens? Ik vind het interessant om die grens op te zoeken. Ik gebruik de verteller inderdaad steeds meer als een personage, maar in mijn interviews en in mijn historische bronnen is niets verzonnen – hoewel ik hier en daar wel in de soep heb staan roeren. Ik hoop dat het element van non-fictie mijn boeken een gewicht geeft dat ze niet zouden hebben als het allemaal alleen maar verzonnen fictie zou zijn.
Ik heb geprobeerd een goed, waarachtig beeld van Curaçao te schetsen, of in ieder geval van hoe het is om een Nederlandse bezoeker op Curaçao te zijn. Het klinkt misschien als een dooddoener, maar alles wat ik over Curaçao te zeggen heb staat in het boek. Ik zou het vreselijk jammer vinden om al te expliciet te moeten zijn, en ik heb de verteller bewust geen David Van Reybrouck-type gemaakt – anders dan bij Atjeh, waarin hij toch wel een van mijn voorbeelden was. Zo’n analyserende verteller is mooi, maar vond ik echt niet passen bij dit onderwerp, en bij de verwarring die ik wil overbrengen.
De mensen die je spreekt willen steeds weten waarom je je eigenlijk met Curaçao bezighoudt en dat vraagt de lezer zich ook af. Je geeft op een bepaald moment als verklaring: ik houd nou eenmaal van koloniale geschiedenis.
Hoewel het Nederlandse aandeel in de slavernij in Azië wat omvang betreft nog groter was dan dat in de West (zie o.a. het nieuwe onderzoek van Leendert van der Valk), is het als thema in de koloniale geschiedschrijving veel minder dominant. Mij deprimeert ook in jouw boek weer die eenzijdige, gruwelijke slavernijgeschiedenis, al komt ook het verzet ertegen aan de orde – dat werd immers ook weer verschrikkelijk afgestraft. Had jij daar ook last van? Ik zal hier geen vrienden mee maken, maar is de Aziatische koloniale geschiedenis, met alle vormen van geweld en uitbuiting die daar voorkwamen, voor de buitenstaander toch rijker, of lijkt dat maar zo?
Wat bedoel je met rijker? Afwisselender? Interessanter? Minder deprimerend? Volgens mij is alle geschiedenis interessant, als je je er maar voldoende in verdiept. Op Curaçao is, op wat opgravingen en rotstekeningen na, helemaal niets bewaard gebleven van de periode van vóór de slavernij. 85% van de Curaçaoënaars is nog altijd van Afrikaanse afkomst, dus heeft een slavernijverleden. Dat is onvergelijkbaar met Azië, ook al zijn de absolute aantallen daar misschien groter. Dus ja, ik snap wel dat het thema slavernij er heel wat dominanter is dan in Azië.
Kan je ten behoeve van de lezers ook een van de lichtpunten noemen die je ziet waar het Curaçao betreft? Er komen in je boek enkele ondernemende mensen langs die het lukt iets te laten groeien op het lastige terrein, en er kunnen geiten gehouden worden; als de uitwassen van het toerisme worden teruggedrongen, kan er misschien een leefbare situatie ontstaan voor de lokale bevolking? Ik moet denken aan het nieuwe masterplan van Piketty c.s., waarin de balans in de wereld zou moeten worden hersteld door een mondiaal georganiseerde herverdeling van middelen, investeringen in onderwijs en zorg – precies de zaken die jij benoemt als blok aan het been van de Nederlandse overheid –, en in natuurherstel, met name in delen van de wereld die door exploitatie in zware moeilijkheden zijn gebracht; Curaçao lijkt me kandidaat.
Ik geloof niet dat er ooit een bestuur op Curaçao is geweest dat zelfs maar pretendeerde de belangen van de gehele eigen bevolking te dienen. Corruptie en nepotisme hebben er een eeuwenlange traditie, en lijken de afgelopen jaren alleen maar erger te worden. Er zijn geen gemakkelijke oplossingen. De plannen van bijvoorbeeld Piketty lijken mij eerlijk gezegd luchtfietserij. Natuurlijk zou het heel mooi zijn als er bijvoorbeeld flink geïnvesteerd zou worden in het onderwijs. Maar wie bepaalt hoe het geld wordt uitgegeven? Hoe voorkom je nog meer corruptie? Hoe voorkom je dat de goed opgeleide mensen het eiland verlaten, zoals nu al in groten getale gebeurt? Ik denk dat het al een hele overwinning zou zijn als er ooit een regering komt die erin slaagt om de uitwassen van het toerisme te bedwingen. Tot het zover is zijn we aangewezen op individuele succesverhalen, en die zijn er gelukkig genoeg. En laten we hopen dat Curaçao punten pakt op het WK Voetbal!
ANTON STOLWIJK & ESTHER WILS
Nederlanders groeten niet. Een boek over Curaçao, door Anton Stolwijk, De Geus, 2026
Afbeelding bovenaan: Juliana Square, Curaçao, ansichtkaart, circa 1944, collectie Rijksmuseum