Back to Benin: het thuisbrengen van eeuwenoud erfgoed

Nog even is in Zwolle de tentoonstelling Back to Benin te zien, waarin tien hedendaagse Nigeriaanse kunstenaars artistiek reageren op de historische moddervis, die het museum heeft afgestaan aan het land van herkomst. Gelukkig is er ook een catalogus; Joris Martens is enthousiast.

Op 10 november 2025 werd de bronzen plaquette van de moddervis, ook wel de Ama O Ghe Ehen genaamd, die jarenlang onderdeel was van de collectie van Museum de Fundatie in Zwolle, officieel overgedragen aan de Oba (een positie vergelijkbaar met koning) van Benin. Het werk werd in ontvangst genomen door de National Commission for Museums and Monuments (NCMM) in Nigeria, die namens de Oba de zaken met betrekking tot restituties behartigt.

Om de overdracht te memoreren heeft Museum de Fundatie de tentoonstelling Back to Benin ingericht. In de tentoonstelling staat het werk van tien hedendaagse Nigeriaanse kunstenaars centraal, die ieder vanuit hun eigen discipline reflecteren op de plaquette van de moddervis. De tentoonstelling staat daarmee volledig in het teken van het contextualiseren en herinterpreteren van de Ama O Ghe Ehen.

Ter gelegenheid van de tentoonstelling is ook het boek Back to Benin: nieuwe kunst, eeuwenoud erfgoed uitgegeven, met bijdragen van verschillende kunstenaars en onderzoekers die de betekenis van de plaquette en, in het verlengde daarvan, de Benin-bronzen nader belichten. Het resultaat is een zeer geslaagde tentoonstelling en een fraai vormgegeven, tweetalige tentoonstellingscatalogus.

De plaquette is hoogstwaarschijnlijk onderdeel van de Benin-bronzen, die in 1897 werden geroofd tijdens de beruchte strafexpeditie van de Britten naar het koninkrijk Benin, in het huidige Nigeria. Daarbij werd niet alleen erfgoed buitgemaakt, ook de Oba werd verdreven. Na de strafexpeditie werden de objecten meegenomen naar Europa, waar zij via kunsthandelaren hun weg vonden naar musea en privécollecties.

De restitutie van de bronzen plaquette is op zichzelf al een mijlpaal en toont aan hoe de discussie omtrent het teruggeven van geroofd erfgoed de laatste jaren in een stroomversnelling is geraakt. Hoewel de roep om teruggave al sinds de onafhankelijkheid in 1960 klinkt, zijn pas sinds vorig jaar ruim honderd bronzen door Nederland teruggegeven aan Nigeria. Ook het Verenigd Koninkrijk is recentelijk overgegaan tot de teruggave van meer dan honderd objecten. Veel landen hanteren het principe dat erfgoed van staat tot staat wordt teruggegeven, in de praktijk kan dit problemen opleveren door de complexe erfenis van de koloniale geschiedenis en staatsvorming, waarbij meerdere partijen het recht op bezit claimen (zie bijvoorbeeld het artikel van 12 oktober 2025 in The Guardian). Museum de Fundatie was echter niet aan dit principe gebonden en de bestuurders konden zelfstandig bepalen aan wie zij de plaquette restitueerden, waarmee de teruggave succesvol en zonder problemen is verlopen.

Herkomstonderzoek
In Museum de Fundatie kwam het onderzoek naar de herkomst van het bronzen stuk op gang na het onderzoek naar gedwongen bezitsverlies in de periode 1933-1945. Vanuit de Nederlandse Museumvereniging werd tussen 2009 en 2013 onderzoek gedaan naar objecten in verschillende museale collecties, om vast te stellen of er sprake was van gedwongen bezitsverlies gedurende deze periode. Bij het doorlichten van de collectie werd de bronzen plaquette afkomstig uit Benin wel opgemerkt, maar viel zij buiten het kader omdat het onderzoek zich slechts richtte op gedwongen bezitsverlies in de context van de Tweede Wereldoorlog en nazi-Duitsland. Toen in 2020 de discussie rondom restitutie van koloniaal erfgoed opnieuw oplaaide en een formele status kreeg dankzij door de overheid geïnitieerd onderzoek, werd opnieuw gekeken naar de moddervis.

De bronzen moddervis

Hoe de plaquette van de moddervis precies in Europa terecht is gekomen, is in het herkomstonderzoek helaas niet duidelijk geworden. Wel hebben onderzoekers de geschiedenis van het object weten te achterhalen tot in 1932. Uit het herkomstonderzoek is duidelijk geworden dat de plaquette in 1937 is aangekocht door de grondlegger van het museum Dirk Hannema. Hij kocht het stuk van kunsthandelaar Carel van Lien, die het in consignatie van de Parijse handelaar Charles Ratton aanbood.

Voordat het in handen kwam van Hannema was het stuk de hele wereld overgegaan en werd het geëxposeerd in Europa en Amerika. Zo was het in 1935 onderdeel van de tentoonstelling in het Museum of Modern Art (MoMa) in New York en drie jaar eerder in Musée d’Ethnographie du Trocadéro in Parijs.

Daar raakt het spoor zoek; het is mogelijk dat het in 1930 in Londen werd aangekocht door Ratton. Uit een veilingcatalogus wordt duidelijk dat hier een soortgelijk visreliëf werd verkocht. De onderzoekers achten het aannemelijk dat het om de bronzen plaquette gaat. Het stuk zou in het bezit zijn geweest van een Britse particulier en eerder ook in Brighton Museum (nu Brighton & Hove Museums) tentoongesteld zijn.

Hiermee is er dus geen direct bewijs gevonden dat het stuk geroofd is tijdens de beruchte plundering van het koninkrijk Benin in 1897 door het Britse leger. Toch bestaat hier volgens het museum geen enkele twijfel over. Met behulp van de laatste technieken is de messing geanalyseerd en die vertoont overeenkomsten met Manilla’s – betaalmiddelen die in de achttiende eeuw in West-Afrika gebruikt werden. Op basis van deze analyse kan worden uitgesloten dat het om een moderne reproductie gaat. Volgens het museum wordt hiermee ook de hypothese ondersteund dat het stuk via een Britse officier in Europa terecht is gekomen.

Oorspronkelijke context
Het museum heeft uiteindelijk besloten over te gaan tot teruggave. Naar mijn mening stellen zij terecht dat ‘aanwinsten in koloniale tijd nooit onproblematisch zijn’. Zelfs wanneer erfgoed niet is geroofd maar aangekocht, dan dwingt de ongelijke machtspositie waarbinnen deze transactie plaatsvond tot de vraag of dit wel als rechtmatig kan worden beschouwd. Daarbij komt dat naar schatting meer dan negentig procent van het Afrikaanse materiële erfgoed zich nog altijd buiten Afrika bevindt. In die zin gaat restitutie verder dan het vaststellen of een voorwerp al dan niet geroofd is en het achterhalen van de herkomstgeschiedenis. Het vormt een nieuw vertrekpunt, dat niet alleen historisch onrecht herstelt maar ook een zekere welwillendheid toont in het streven naar een meer gelijke verdeling van cultureel erfgoed. In dat licht benadrukt het museum dat de Ama O Ghe Ehen ‘thuishoort in Benin City, in de stad en de cultuur waar het uit is voortgekomen en waar het een heel andere betekenis heeft dan als einzelgänger in ons geklimatiseerde museum, losgezongen van zijn oorspronkelijke context’.

Natuurlijk blijft de vraag wat er is overgebleven van de oorspronkelijke context. De geschiedenis heeft zijn beloop genomen en de periode van afwezigheid kan niet worden genegeerd. De plaquette kan dan ook niet terugkeren in tijd, maar het komt wel dichter bij de oorsprong waar het opnieuw, maar op een andere manier zal resoneren, met tonen uit het verleden maar ook met nieuwe klanken. De tentoonstelling vormt in dit proces een eerste aanzet.

De tentoonstelling die de teruggave van de plaquette markeert, is bijzonder goed geslaagd in de opzet. Ooit losgerukt uit zijn culturele en symbolische context, wordt de moddervis nu opnieuw ingebed. Door de restitutie te verbinden met het werk van eigentijdse Nigeriaanse kunstenaars ontstaat een dialoog tussen heden en verleden. Wat de tentoonstelling hiermee bereikt, is zowel het letterlijk als het figuurlijk ‘thuisbrengen’ van de plaquette. Niet alleen keert het object fysiek terug naar de oorsprong, ook wordt het opnieuw geplaatst binnen de historische, sociale en culturele context waar het uit voortkomt.

De tentoonstelling begint dan ook met een uitgebreide schets van de historische achtergrond van het koninkrijk Benin, en in het bijzonder Benin City met haar vestigingswerken en maatschappelijke inrichting die gekenmerkt werd door de verschillende kunstenaarsgilden. In het boek wordt de geschiedenis van de moddervisplaquette en de Benin-bronzen verder uitgewerkt aan de hand van een zestal essays. Zo onderstreept Osaisanor Godfrey Ekhator-Obogie nog eens de rijke historie van het koninkrijk van Benin, dat herleid kan worden tot de elfde eeuw.

Het essay van curator Aude Christel Mgba springt eruit. Moeiteloos verbindt zij hedendaagse discussies over restitutie met historische observaties over de destructie die kolonialisme en slavernij teweeg hebben gebracht op het Afrikaanse continent. De roof van erfgoed heeft ervoor gezorgd dat generaties Afrikanen niet de kans hebben gehad om zich te verhouden tot hun eigen verleden.

Hierin volgt Mgba het toonaangevende rapport [1] van Felwine Sarr en Bénédicte Savoy die stellen dat: ‘de generatie die is opgegroeid zonder hun erfgoed nooit de kans [heeft] gehad om de artefacten van dit erfgoed naar waarde te schatten, te bekijken, aan te raken, ervan te leren, ermee te communiceren, of de symbolische of spirituele krachten aan te roepen’.

Niet voor niets benadrukt Mgba dat het bronsgieten in Benin symbool staat voor het bewaren van geschiedenis. Het werkwoord herinneren (Sa-e-y-ama) betekent letterlijk vertaald ‘een motief in brons gieten’. De Benin-bronzen zijn meer dan culturele expressie, het zijn dragers van de geschiedenis die de rijke mondelinge traditie van het Edo-volk aanvullen.

De culturele en historische nalatenschap van het koninkrijk loopt als een rode draad door het werk van de verschillende kunstenaars heen. Benin was ooit bekend om zijn rode muren en vestigingswerken, waar de Oba heerste over de aardse en spirituele werelden.

Het is de moddervis die geassocieerd wordt met de macht van de Oba; het vermogen van het dier om zowel op land als in het water te overleven symboliseert het gezag van de Oba over zowel het aardse als het spirituele leven. In de tentoonstelling bestaan de verschillende belevingswerelden ook naast elkaar, zonder dat het schuurt. Heden en verleden worden met elkaar verweven. Het wereldse en het spirituele vullen elkaar aan.

Ook Taiye Idahor speelt met de verschillende dimensies en toont op haar schilderijen vaak water. Het water waar de moddervis thuishoort, maar dat tevens symbool staat voor vrouwelijkheid en spiritualiteit. Dit wordt dan weer gecontrasteerd met het grote aardewerken ‘wandtapijt’ van Osaru Obaseki, die met zijn werk beelden oproept van de monumentale rode muren van Benin City.

Osaru Obaseki, Gepantserd, 2025, bruikleen van de kunstenaar, foto Charles Ofikhenual

Dat de Edo-iconografie nog altijd springlevend is, blijkt uit het werk van Osaze Amadasun en Victor Ehikhamenor. In hun werk worden beelden uit het verleden opgeroepen en gecombineerd met hedendaagse elementen, waardoor een dialoog ontstaat tussen verleden en heden. Amadasun doet dat bijvoorbeeld door in een van zijn schilderijen, heldhaftige, historische figuren te contrasteren met historische landkaarten. Die zelfde gelaagde geschiedenis is terug te zien in de installatie van Abraham Onoriode Oghobase, die het koloniaal archiefmateriaal van een andere context probeert te voorzien en een nieuwe richting tracht te geven.

Zeker het werk van Ehikhamenor is indrukwekkend. Op grote vellen papier heeft hij duizenden gaatjes geperforeerd; wanneer het licht op het papier valt, verschijnen de silhouetten op de muur. Hij creëert een schimmenspel waarin de beeltenissen van de figuren tot leven komen. Daarnaast speelt hij met het idee van aan- en afwezigheid, en opnieuw lopen de spirituele en aardse werelden in elkaar over.

Victor Ehikhamenor, Heilige Heiligen, 2025,  bruikleen van de kunstenaar, foto Charles Ofhikhenual

De Ama O Ghe Ehen is in het museum omgeven door hedendaagse weerspiegelingen en reflecties, die het werk in zijn rijke culturele en historische context plaatsen. Natuurlijk bevinden we ons nog steeds in een Nederlands museum, moeten we ons rekenschap geven van de koloniale erfenis en de reden waarom het object lange tijd onderdeel was van de collectie van de Fundatie. Maar Victor Ehikhamenor nodigt ons in zijn essay uit het koloniale aspect niet langer centraal te stellen. Hij stelt dat het roven van kunst niets oplevert. Artefacten worden losgerukt uit hun context, waar ze waarde hebben. In zijn essay laat hij zien dat het bronsgieten een levende traditie is waar de plaquette in thuishoort.

Ehikhamenor maakt dan ook de balans op. Denkend aan de Britse officieren die de bronzen roofden, vraagt hij zich af:

‘of ze de doelloosheid van hun eigen bravoure en vreugde inzagen. Wat ze vingen, was niet wat ze vingen. Nu geroofde objecten terugkeren naar het koninkrijk zien we dat plunderen altijd een schrale oogst oplevert. Daarom moeten we de krachtige eeuwen van cultuur en geschiedenis van het koninkrijk niet laten draaien om een enkele verachtelijke gebeurtenis in 1879, want dan zouden we de kolonialen centraal stellen, terwijl zij niet meer verdienen dan één regeltje in ons boek met herinneringen.’

JORIS MARTENS

[1] Felwine Sarr en Bénédicte Savoy, Rapport sur la restitution du patrimoine culturel africain: Vers une nouvelle éthique relationnelle (2018). Ook in het Engels beschikbaar als: The Restitution of African Cultural Heritage: Toward a New Relational Ethics.

Alle afbeeldingen zijn afkomstig uit de catalogus Back to Benin, WBooks, 2026