De rol van de wetenschap in het koloniale project

Wetenschap in dienst van koloniale politiek, en de langdurige en sterke invloed van deze academische inspanningen in Indië en Indonesië: daarover gaat Kennis die knecht van Remco Ensel. Startpunt is de dissertatie van de Leidse econoom Julius Boeke uit 1910: tachtig jaar later door de antropoloog Ann Dunham betiteld als ‘crap maar wel invloedrijke crap’. Will Derks kon de lijn van Ensels verhaal soms moeilijk volgen door de vele zijpaden, en vindt dat jammer.

In 1910 promoveerde in Leiden zekere Julius Boeke op een economisch proefschrift dat begon met de even stellige als racistische bewering ‘dat een Javaan nooit loopt wanneer hij kan stilstaan, nooit staat wanneer hij kan zitten, nooit zit wanneer hij kan liggen’. Boeke had slechts een jaar nodig voor zijn dissertatie en hij had bovendien nog nooit een voet op Java had gezet, maar de indolentie van de ´inlander´ was voor hem kennelijk al een voldongen feit en uitgangspunt van zijn thesis.

Dat begrip ´indolentie’, met als connotaties werkschuw, lui, vadsig, spilziek, traag, lusteloos, laks, niet doelgericht, gebrek aan spaarzin, behept met korte-termijn-denken, niet toekomstgericht, geen talent voor ondernemen – vul zelf verder maar in – is het kernbegrip voor Kennis die knecht van Remco Ensel, zowel verbonden aan het NIOD als aan de universiteit van Nijmegen. Het resultaat is een kloek geschiedwerk waarin de rol van de wetenschap in het koloniale project onder de loep wordt genomen.

Julius Boeke

Stekelig
Het boek is, in de woorden van de auteur, ‘het verslag van een zoektocht naar kennis over de geografie, de economie, de bevolking en de samenleving van de archipel waarmee het verwijt van indolentie verweven was’. Die kennis was dan wel wetenschappelijk − of wat daarvoor door moest gaan − maar werd vergaard met de bedoeling om die toe te passen, dat wil zeggen, om op basis van die kennis beleid en strategieën te ontwikkelen om die indolentie klein te krijgen, te bestrijden, uit te wissen en te vervangen door discipline. Kortom, wetenschap als een vorm van koloniaal geweld.

Centraal in deze vrij nieuwe vorm van wetenschapsbeoefening met politieke oogmerken stond de universiteit van Leiden. Ensel heeft het dan ook nogal stekelig over Leiden als ‘het hart van de inlanderkunde en de standplaats van het uitzendbureau voor inlanderkundigen als Julius Boeke’. Inderdaad vertrok Boeke niet lang na zijn promotie naar Nederlands-Indië om daar carrière te maken in het koloniale staatsapparaat en om, uiteindelijk, weer hoogleraar te worden in Leiden.

De ‘inlander’, of meer precies de keuterboer of de kleine man in de desa, was in de visie van Boeke iemand die meer sociale dan economische behoeften had. Zijn zogenaamde ‘morele economie’ was niet op de eerste plaats materieel gericht, maar verweven met voorouders, familie, vrienden, dorpsgenoten, geesten, religie, leefomgeving en natuur. Vanuit een westers, kapitalistisch oogpunt was hij daarom een deplorabele figuur. In die visie vulde hij het ene gat met het andere, verwekte hij veel te veel kinderen die hij niet kon onderhouden, wist hij niets opzij te leggen voor kwade dagen, vergokte hij geld zodra hij het had en leende hij het zodra alles weer op was, laat staan dat hij het verlangen had waarde te creëren en ondernemer te zijn.

Verheffing
Als econoom was Boeke in zoverre bijzonder dat hij de economische theorievorming van het westers kapitalisme, met belangrijke bijdragen van figuren als Adam Smith en Max Weber, niet of nauwelijks van toepassing vond op de indolente ‘inlander’. Die moest economisch gesproken anders, meer op zijn eigen termen, worden benaderd en begrepen voordat aan hem kon worden gesleuteld en in het kader van de ethische politiek gezocht kon gaan worden naar mogelijkheden tot verheffing en het opstoten van de Javanen in de vaart der volkeren. Uiteindelijk was de homo economicus Javanicus het doel. Die zou, gehercodeerd, als ondernemer de geest krijgen en voor welvaart gaan zorgen zodat Indonesië – natuurlijk pas in de verre toekomst – op eigen benen zou kunnen staan.

Het boek brengt de ontwikkeling van deze manier van denken in kaart vanaf Boekes proefschrift (en soms ook de wortels daarvan in eerdere eeuwen), tot het moment dat Boekes kennis en die van zijn Leidse confrères – Snouck Hurgronje, Veth, Van Vollenhoven, Berg, Hazeu, Wilken, Pigeaud, Uhlenbeck, Voorhoeve, Drewes, et cetera – na het einde van de Tweede Wereldoorlog en de Indonesische Revolutie wordt afgelost door die van wetenschappers als Clifford en Hildred Geertz. Als beginnende promovendi bezochten beiden begin jaren vijftig Boeke en andere Leidse ‘inlanderkundigen’ om zich aan hun koloniale kennis te laven alvorens ze doorreisden naar Java om daar veldwerk te gaan doen voor hun dissertaties. Het is dan ook misschien niet vreemd, maar toch verrassend, dat – zoals Ensel laat zien – elementaire ideeën van Boeke en de zijnen niet echt werden verlaten.

Invloedrijke crap
Ook nu weer waren wetenschap en politiek nauw verstrengeld; het was de tijd van de Koude Oorlog, het communisme lag op de loer. Jonge Amerikanen zoals het echtpaar Geertz werden naar Indonesië en andere ‘(potentieel) vijandige landen’ gestuurd in het kader van een geheim project genaamd ‘Troy’ waarin, behalve de CIA, ook instituten als Harvard, Yale en MIT een belangrijke rol speelden, naast − typisch genoeg − afgeleiden van het bedrijfsleven als de Ford Foundation. Van de geplande jarenlange aanwezigheid van jonge Amerikaanse onderzoekers op het Indonesische platteland werd ook verwacht dat die een westerse levensstijl zouden kunnen overdragen ‘met bijbehorende kennis en technieken’ en daarmee ook de Amerikaanse mentaliteit van ‘samenwerking, werklust en individueel initiatief’. Dus wetenschap en politiek gingen inderdaad alweer een verbond aan ‘om een westerse economische houding te laten landen’ en aldus was er nog veel ‘dat vertrouwd overkwam op de generatie van Boeke die na 1945 afzwaaide’.

Het opmerkelijkste is misschien wel dat deze continuïteit zich ook nog tot ver na het tijdperk van Geertz c.s. uitstrekt. Ensel bespreekt tegen het eind van zijn boek nog het werk van de antropologe Stanley Ann Dunham, ook wel bekend als de moeder van Barack Obama. Zij kwam in 1992 op de proppen met een dik proefschrift, gebaseerd op vele jaren veldwerk in ruraal Java (de afgeslankte handelsversie verscheen in 2009). Net zoals haar promotor aan de universiteit van Hawaii, Alice Dewey, vond zij het werk van Boeke ‘crap maar wel invloedrijke crap’. Dat had niet alleen het effect dat daarom Clifford Geertz de Julius Boeke van zijn generatie kon worden; de ideeën van de Leidse promovendus uit 1910 overleefden de generaties, tot aan de huidige Indonesische bureaucratie toe: zelfs in het begin van de eenentwintigste eeuw ‘spookte de geest van Julius Boeke nog altijd rond op de overheidskantoren in Jakarta’.

Tegenpool van Julius Boeke: antropoloog Ann Dunham (foto afkomstig van ‘All That Is Interesting‘)

Ensel concretiseert dat merkwaardig genoeg niet, maar het zal dan wel gaan om de sliert van connotaties die aan de kwalificering ‘indolent’ hangt: de kleine Javaanse boeren, neringdoenden en ambtenaren blijven koppig vasthouden aan een morele economie waarin men elkaar te hulp schiet en samen overleven c.q. armoede met elkaar delen voor de leden van de Gemeinschaft die het Javaanse dorp is, belangrijker is dan individuele winstmaximalisatie, terwijl gebrek aan spaarzin, goklust en de neiging om het ene gat met het andere te vullen het ontstaan van een waarachtig ondernemerschap in de weg staan. Dewey en haar promovenda Dunham dachten daar anders over en lieten in hun werk zien dat ´economische rationaliteit´ wel degelijk steeds een belangrijke rol speelde en dat de ondernemers voor de ogen van Geertz aan het werk waren, ´maar hij zag ze niet staan´. Voor de centrale overheid van Indonesië geldt dat kennelijk nog steeds.

Kuisheid
Al gebruikt hij opvallend genoeg geen Indonesische bronnen, Remco Ensel gooit voor zijn ‘verslag’ het net ver, zéér ver uit en het bovenstaande is weliswaar een hoofdlijn uit het boek, maar het geheel is véél meer dan dat. Kennis die knecht is een zeer rijk boek. Die rijkdom is indrukwekkend, maar toch vraag je je als lezer soms af of een zekere kuisheid in de compositie het boek niet ten goede zou zijn gekomen. Less is more en kill your darlings – zoiets.

Wat dit aangaat is misschien het beste voorbeeld het hele vijfde hoofdstuk en hoe zich dat verhoudt tot het boek als geheel. Onder de al wat typerende titel ‘Zeg niet: hij is lui. Zeg: hij vegeteert; Subversieve kennis in de tropen’, wordt het net letterlijk ver uitgeworpen. Ensel zelf typeert dit hoofdstuk als ‘een reis om de wereld’, waarin Indonesië maar zeer beperkt een rol speelt. Het gaat onder andere over de idee van de tropen zoals die in de loop der jaren in de wetenschap vorm kreeg, te beginnen bij Montesquieu (!); over het verband tussen klimaat, arbeidsethos en ‘volkskarakter’; over de tropen als paradijs, over ‘tropenvolken, tropenkoloniën, tropenvruchten en tropenziektes’ zoals tropenkolder en mata gelap; over de tropen als ‘coalitiebegrip voor (toegepaste) wetenschap, van tropische geneeskunde tot tropische bosbouw’. Kortom, het gaat over het ‘tropologisch discours’ zoals dat ‘deel werd van het denken over de exploitatie van arbeid in Nederlands-Indië’.

Een dergelijk exposé is natuurlijk uitermate relevant voor een boek als dit, zij het dat een en ander als elementaire bouwsteen van de ‘inlanderkunde’ wellicht eerder dan pas in het vijfde (van de acht) hoofdstukken had kunnen worden behandeld. Niet of nauwelijks relevant in dit kader is echter de uitvoerige aandacht die Ensel in dit hoofdstuk ook geeft aan het verzet tegen dit tropendiscours, zoals dat gestalte kreeg in het werk van Aimé en Suzanne Césaire op het Antilliaanse eiland Martinique tijdens de Tweede Wereldoorlog, of eerder (1928) door de modernistische Braziliaanse dichter Oswald de Andrade. Het ging dan in beide gevallen om ‘kannibalisme’ als connotatie bij het concept van de tropen, dat werd gebruikt als aanknopingspunt om het tropologische discours onderuit te halen. De Braziliaan deed dat onder andere met zijn ‘Kannibalistisch Manifest’ (Manifesto Antropófago) dat, net als de essays van Suzanna Césaire in het tijdschrift Tropiques, geïnspireerd was door het surrealisme van André Breton.

Razend boeiend allemaal, maar een verband met de Leidse ‘inlanderkunde’ van Boeke c.s. of met het gekoloniseerde Indonesië is er niet. Ensel probeert daar nog wel een draai aan te geven door, tegen het eind van het hoofdstuk, ineens de Javaanse, maar Nederlandstalige dichter Raden Mas Noto Soeroto met de haren erbij te slepen. Maar dat verwart eerder nog meer dan dat het verheldert. De rijkdom van dit boek wordt hier overdaad en als lezer zit je je dan af te vragen wat je eigenlijk aan het lezen bent. Dat is jammer. Een wat strengere afbakening en iets meer ingetogenheid, hier en elders, zouden dit interessante boek én het leesplezier ten goede zijn gekomen.

WILL DERKS

Kennis die knecht; Indonesië en de koloniale wortels van wetenschap, door Remco Ensel, uitgeverij Prometheus, 2025

De foto bovenaan werd genomen t.g.v. de opening in 1924 van de Rechtshogeschool in Batavia, een van de eerste instellingen voor hoger onderwijs in Nederlands-Indië. Julius Boeke staat rechts (bron: KITLV 2638, fotograaf onbekend)