Deshima: een muizengaatje van formaat

Zoals bekend had de VOC eeuwenlang een unieke positie in Japan, dat vreemde invloeden stevig weerde, maar zijn voordeel deed met de westerse kennis die het land via het VOC-personeel bereikte. De uitwisseling vond plaats op het minuscule eiland Deshima, waarvan Anne Sey gedetailleerd studie maakte. Boudewijn Walraven was vooral gefascineerd door de microgeschiedenis die Sey boven water wist te halen.  

Deshima was op wereldschaal niet meer dan een muizengaatje. Het kunstmatige eilandje in de baai van Nagasaki, waar vanaf 1641 de Nederlanders als enige westerlingen meer dan 200 jaar handel konden drijven met Japan, was zo klein dat je in drie minuten van het ene naar het andere uiteinde kon lopen. Maar de betekenis ervan was bepaald niet klein. Via deze handelspost zochten de Japanners naarstig naar allerlei soorten kennis uit de wijdere wereld (bijvoorbeeld militair, medisch, natuur- en scheikundig, en zelfs juridisch), die uiteindelijk goed van pas kwam toen in de tweede helft van de negentiende eeuw de grenzen opengingen voor de Amerikanen en Europeanen. Om de boeken die ze bestelden te kunnen lezen, was het leren van Nederlands niet te veel moeite. Het Nederlands was dan ook de taal waarin de Japanners met de Amerikanen communiceerden toen die in 1854 de opening van de grenzen voor het Westen forceerden. Wat precies de bijdrage van de ‘Nederlandkunde’ (rangaku) is geweest aan het feit dat Japan geen serieuze kolonialistische druk heeft hoeven weerstaan en al in 1904-1905 in een direct conflict in staat was het buurland Rusland te verslaan en later in de eeuw een militaire grootmacht kon worden, is een complexe vraag, maar ergens in het antwoord zal toch Deshima wel figureren.

Als we verder inzoomen op het eiland zelf, zoals Anne Sey doet in haar Deshima: het dagelijks leven op de Nederlandse handelspost in Japan, was Deshima ook interessant als een dagelijkse ontmoetingsplaats van verschillende culturen. Natuurlijk die van de Japanners en de Nederlanders, maar ook van de andere Europeanen in dienst van de VOC (en na 1800 de Nederlandse regering) die voor Nederlanders moesten doorgaan: veel mannen uit Duitstalige gebieden, Zweden, of Denen, maar ook slaafgemaakten of bedienden uit Bengalen, India, Thailand, Arabië, Afrika, en Perzië. Ja, en ook uit de Indonesische archipel, waaronder ‘Javaanse jongens’, niet verwonderlijk want Batavia was de basis van waaruit de handel met Japan werd gedreven. Omgekeerd konden de ‘Nederlanders’ in Nagasaki niet alleen met Japanners, maar ook met Koreanen en Chinezen in aanraking komen.

Aan tafel bij opperhoofd De Sturler

Thematische aanpak
Sey behandelt het materiaal in vierentwintig hoofdstukken waarin ze met gebruikmaking van heel diverse en uitgebreide schriftelijke en visuele bronnen in detail ingaat op zowat alle mogelijke aspecten van het leven daar. Die thematische aanpak maakt dat de chronologie wat springerig is, maar door als het ware steeds met de lezer mee te lopen en een persoonlijk perspectief te bieden, zorgt Sey ervoor dat de stortvloed aan materiaal die ze met grote vlijt bijeengebracht heeft niet gaat vervelen. De variëteit aan onderwerpen, soms voor de hand liggend en soms verrassend, is indrukwekkend. Zo zijn er stukken over het weer, de kleding, begrafenissen, de slaafgemaakten op Deshima, kunst aan de wand in de Nederlandse vertrekken daar, toneel (o.a. een opvoering van het stuk De twee jagers en het melkmeisje en het blijspel De tabaksfabrikanten of het Vaderlandsche familiefeest), en de lichaamsverzorging. Voor het laatste noteert Sey dat op een Japanse rolschildering uit 1784 drie donkergekleurde mannen met lange zwarte haren en een doek om het middel bij een grote vierkante waterbak aan het mandiën zijn: Indonesische bedienden (die ook op Deshima gebruikmaakten van de botol cebok). Met hen werd door de Nederlanders Maleis gesproken, waardoor het woord makan, eten, in Nagasaki in zwang gekomen zou zijn. De ‘zwarte jongens’ (waaronder ook Afrikanen) leverden ook een opmerkelijke bijdrage aan het culturele leven op Deshima als muzikanten. In het hoofdstuk over muziek komt een schildering voor uit 1797 waarin Zuidoost-Aziatische bedienden musiceren met dwarsfluit, hobo, viool en grote trom. Ze schijnen ook wel Japanse instrumenten bespeeld te hebben, zoals de shamisen of trommels. Voor Japanse bezoekers werd geregeld Europese muziek ten gehore gebracht, en wanneer de gouverneur van Nagasaki aan het einde van de achttiende eeuw langs Deshima zeilde werd er verwacht dat hij daarbij begeleiding kreeg van de muzikanten op het eiland. De Europeanen maakten zelf ook muziek. De beroemdste onder hen, Philipp Franz von Siebold, nam een tafelmodel fortepiano mee, die zelfs meeging op de hofreis naar de shōgun in Edo. Anderen bezaten handzamere instrumenten, zoals een waldhoorn, lier, fluit, fagot, viool of klarinet.

Musicerende bedienden, eind 17e eeuw

Vrouwen
De shamisen was op Deshima ook wel te horen bespeeld door de ‘meisjes van plezier’ uit de bordelen van Nagasaki, die als enigen van hun sekse regulier toegang hadden tot het eiland. In principe mochten ze niet op Deshima wonen, maar geleidelijk aan werd daarmee de hand gelicht. De Nederlanders knoopten met hen, zoals Sey beschrijft in het hoofdstuk ‘Japanse vrouwen’, veelvuldig relaties aan die leken op die met de njai in Indië. Siebold schrijft daarover aan zijn moeder: ‘Mijn huiselijke omstandigheden zijn erg prettig, waartoe enkele vrienden en mijn trouwe Sonookisa [Sonogi], die me al drie en een half jaar met moederlijke zorg verzorgt, het meest bijdragen.’ Daar kwamen vaak kinderen uit voort (ook Siebold had een dochter, aan wie in De zwevende wereld, de dubbelbiografie van Annejet van der Zijl, veel aandacht wordt besteed), wat weer in het aan de kinderen gewijde hoofdstuk van Deshima aan de orde komt. Die werden door de Japanners als Japanse onderdanen beschouwd en mochten niet mee als de vaders hun tijd op Deshima erop hadden zitten, maar de vertrekkende vaders lieten niet zelden fondsen achter voor het onderhoud van de kinderen en hun moeders. Sommigen (onder wie Siebold) kochten voor hen een huis in Nagasaki.

Ontvangstruimte van het opperhoofd in 1825

De duur van het verblijf op Deshima kon geweldig verschillen. Vaak was het kort, maar één of twee jaar, maar het kon veel langer zijn. Hendrik Doeff (1777-1835) bracht er in totaal achttien jaar door. In die tijd had hij relaties met meerdere vrouwen, en kreeg hij twee kinderen, een jongen en een meisje. De jongen kreeg officieel de Japanse familienaam Dofu en zelfs op jonge leeftijd een ambtelijke functie, maar overleed op zijn zeventiende. Toch had hij nog kans gezien een dochter te verwekken, zodat Doeff generaties nakomelingen in Japan had kunnen hebben, ware het niet dat het meisje, toen ze dreigde te moeten trouwen met een onaantrekkelijke partner, zelfmoord pleegde samen met haar minnaar, een gebeurtenis die herinnert aan oude Japanse toneelstukken over geliefden die liever een eind maakten aan hun leven dan hun sociaal ongewenste verknochtheid op te geven.

Biljarten in de tijd van opperhoofd Hemmij, 1797

Boeken
Doeff werkte ook samen met de Japanse tolken aan een Nederlands-Japans woordenboek, dat in 1815 werd voltooid. Het uitgangspunt was een Franse dictionaire die was uitgegeven door François Halma, wiens naam samen met die van Doeff, op zijn Japans verbasterd, aan het eindproduct werd gegeven: Dofu Haruma. Doeff was niet de enige die Japans leerde, en ook niet de enige die meer intellectuele interesses had. Dat blijkt ook wel uit het zowel amusante als interessante hoofdstuk over de boeken op Deshima. Robinson Crusoe was erg populair, en luchtige verstrooiingslectuur, zoals de Bedrogen Spaanse bedrieger, De Rhysende Chinees, en De doorlygtige minnares, ontbrak niet, maar ook boeken over uiteenlopende medische onderwerpen, botanie en andere natuurlijke historie, Europese geschiedenis en politiek, geografie, astronomie en wiskunde werden gelezen. Voor een deel omdat daarmee de vele vragen beantwoord konden worden die de op kennis beluste Japanners stelden. De de facto heerser over Japan, de shōgun, bestelde ook boeken over allerlei onderwerpen, maar ook de Japanners met wie de Nederlanders in direct contact kwamen hadden veel over voor informatie uit Europa. Daar profiteerden de Nederlanders, als goede burgers van een echte handelsnatie, graag van door boeken aan hen door te verkopen. Een van hen schreef: ‘Ik heb hen slechts een vijftal boeken over kunnen doen, doch nimmer met minder winst dan 300 pct.’ Opvallend is verder, benadrukt Sey, dat er op Deshima heel wat bijbels en christelijke lectuur aanwezig waren, hoewel dat eigenlijk door de Japanners, die in 1637 een opstand van hun landgenoten die bekeerd waren door katholieke missionarissen hadden neergeslagen, verboden was.

Het hoofdstuk over de boeken op Deshima geeft ook enig inzicht in de bredere betekenis van de handelspost, zo klein als dit muizengaatje ook was, voor de kennisuitwisseling tussen Japan en het Westen. Het benadrukt enerzijds de gretigheid waarmee de Japanners informatie zochten over de wijdere wereld, maar besteedt ook enige aandacht aan de publicaties over Japan die door de bewoners van het eiland na terugkomst in Europa geschreven werden, zoals Herinneringen uit Japan door Doeff, dat verscheen in 1833. Maar de kracht en fascinatie van Deshima, met alle details over de dagelijkse omgang tussen mensen van heel uiteenlopende herkomst, uit Europa en Azië, ligt vooral in wat Carlo Ginzburg de microgeschiedenis heeft gedoopt, de studie van kleine, alledaagse maar significante historische gebeurtenissen. De aantrekkingskracht daarvan voor de gewone lezer blijkt ook uit het feit dat er inmiddels een tweede druk van Deshima is verschenen.

BOUDEWIJN WALRAVEN

Deshima: het dagelijks leven op de Nederlandse handelspost in Japan, door Anne Sey, Walburg Pers, 2025

Alle afbeeldingen komen uit het besproken boek.