Frank Okker, biograaf van onder anderen Madelon Székely-Lulofs, was zijn archief aan het opruimen en constateerde dat hij best wat meer aandacht aan Madelons liefdesbrieven had mogen besteden. Daarover schreef hij onderstaand stuk.
Nee, veel zijn het er niet, maar boeiend blijken ze wel, de overgeleverde liefdesbrieven van Madelon Székely-Lulofs (1899-1958). Zij schreef de epistels halverwege 1929 aan haar tweede echtgenoot, de Hongaar László Székely (1892-1946), die dan werkt op de rubberplantage Telok Dalam in het omvangrijke landbouwgebied Deli aan de oostkust van Sumatra.
De schrijfster verblijft tijdelijk in een bungalow van de Belgische cultuurmaatschappij in het frisse, dertienhonderd meter hooggelegen Brastagi, samen met hun drie maanden oude dochtertje, in afwachting van de inrichting van hun huis op de hete laagvlakte. ‘Als ik mijn oogen sluit, zie ik je lieve gezicht over mij heen, voel ik je armen om mij heen. En ik verlang dan zoo naar je zoen.’i

Ontmoeting
Madelon leerde László Székely zes jaar eerder kennen, toen zij met haar man Hein Doffegnies en hun dochters Mary Maud (4) en Christine (2) woonden in een huis van de grootste rubberonderneming, de Hollandsch-Amerikaanse Plantage Maatschappij, waar Hein als assistent in dienst was.ii Het werk in de ‘tuinen’ vol rubberbomen beviel hem goed en hij legde op vaardige wijze de omgeving met de vulkaan Sibayak en de hoogvlakte van Karo in tekeningen vast. Het huwelijk van Madelon en Hein verliep echter moeizaam. In fysiek opzicht voelden ze elkaar goed aan, maar Hein toonde geen enkele belangstelling voor kunst en literatuur.
Zijn Hongaarse collega bezat die belangstelling wel.iii László stimuleert Madelon tot het schrijven van verhalen, die geplaatst worden in het zojuist opgerichte weekblad Sumatra waarvoor hij de omslagtekeningen maakt. Al spoedig begeeft Madelon zich regelmatig naar het redactielokaal in de stad Medan. In dat ‘ongezellige hok’ begint haar innige samenwerking met László, die niet veel later in een liefdesrelatie uitmondt.

Grof geweld
Hun verhouding leidt onvermijdelijk tot afkeurende reacties binnen de Europese gemeenschap van Deli. Doffegnies dreigt Madelon met grof geweld als zij haar amoureuze omgang met Székely nog langer voortzet. Als tijdelijke oplossing vraagt László vervroegd verlof om zijn familie in Hongarije te bezoeken. Maar Doffegnies besluit tot een definitieve oplossing. Hij laat een jurist, zogenaamd uit naam van Madelon, een eis tot echtscheiding opstellen onder voorwaarde dat hun kinderen aan de vader worden toegewezen. Op 21 mei 1926 wordt de scheiding door de rechtbank van Medan toegewezen. Doffegnies brengt hun dochtertjes onder bij zijn ouders, aanvankelijk in Bussum, later in Den Haag. Madelon en László vertrekken samen naar het luxueuze hotel Danieli in Venetië om vervolgens op 10 september te Boedapest in het huwelijk tet treden.iv
Het volgende jaar keren zij terug naar Deli. Székely werkt voortaan als assistent bij de Belgische Société des Plantations de Telok Dalam. Op 11 maart 1929 wordt daar hun dochter Cornelia Malvina geboren, in de brieven van Madelon aangeduid met de roepnaam Cornelietje, wat uiteindelijk zal veranderen in Kotjil (kleintje). Omdat het meisje in de hete laagvlakte weigert te eten, maar ook omdat Madelon zelf te kampen heeft met een hevige aandoening van haar darmslijmvlies, vertrekt de schrijfster met Cornelietje naar het hooggelegen Brastagi, waar tal van employés van de cultuurmaatschappijen een frisse neus komen halen, al dan niet vergezeld door hun gezin.v
‘Het is hier heerlijk en ik voel me met de dag opknappen,’ stelt Madelon in haar eerste brief vast. Ook hun dochtertje geniet van de koelte. ‘’t Kleine nest ziet er heerlijk uit, blozend als een roos en sprankelend van vitaliteit.’ Als reactie op de brief waarin László haar feliciteert met haar dertigste verjaardag (24 juni 1929) schrijft ze: ‘Of ik gelukkig ben? Lieve, er zijn, geloof ik, weinig zóó gelukkige menschen op deze wereld als ik. Het is zoo’n groot, rustig geluk dat je mij, al deze jaren door, gegeven hebt, dat ik nooit zal weten hoe ik ’t je zou moeten vergelden. Moge alleen God geven dat wij elkaar en de kleine kraai mogen behouden.’vi
Van rust is echter, gezien de voorgeschiedenis van hun relatie, in Brastagi en in Kisaran, waar de rubberplanters elkaar ontmoeten, geen sprake. Madelon waarschuwt László voor het onophoudelijke geroddel van de employés en hun echtgenotes: ‘Praat er maar niet over, Szekje, in Deliland wordt al genoeg gezwetst. Maar zorg dat je lei schoon is, want met rust laten doen ze ons niet.’vii

Vervloekt tuig
Haar grootste zorg geldt de omgang met Hein Doffegnies, die nog altijd bij de HAPM werkt en inmiddels hertrouwd is met Eloise Bastedo, dochter van een Canadese bankier, die door Madelon wordt aangeduid als ‘Mrs. Dof’. Ze ergert zich vooral aan het uitblijven van berichten van haar kinderen. ‘Zou je denken dat ze nu heelemaal niet meer schrijven, zelfs niet meer voor een pakje? Ik heb al sinds Februari geen berichten! Het is toch vervloekt tuig, die Doffen. Ik hoop dat er een hel bestaat.’
Madelon drijft de spot met de negatieve houding van ‘Mrs. Dof’ tegenover László en haarzelf, net als met de wijze waarop zij ‘Heintje op leven en dood’ verdedigt. ‘Dat bewijst twee dingen: eerstens, dat ze dom is, tweedens, dat ze van hem houdt. Twee goede dingen voor hem. Alleen een beetje zuur voor mij, omdat ze hem nu eerder zal opstooken tegen me, dan me met de kinderen tegemoet te komen.’ Bij het gemis van haar oudste dochters heeft de schrijfster zich al neergelegd. ‘Dat de toestand is, zooals die is, heb ik uitsluitend aan mezelf te wijten.’viii
Tijdens haar verblijf in Brastagi legt ze zich ook toe op de verzorging van Cornelietje. Madelon heeft weliswaar de baboe meegenomen, maar haar vertrouwt ze de baby liever niet toe. ‘Die heeft geen hersens voor een garnaal. Zet voortdurend alle deuren tegen elkaar open en laatst, op een onverwacht oogenblik, verschoonde ze haar buiten in de wind. Allemaal uit pure liefde, maar ze zou ’t kind de dood op de hals halen.’ix
Zelf prijst zij de logische aanpak van de Nieuw-Zeelandse kinderarts Sir Truby King (1858-1938), beschreven in een boekje dat Madelon van haar moeder kreeg. King pleit voor het lang zelf voeden van de baby en zoveel mogelijk terugkeren naar de natuur; hij toont aan de hand van foto’s aan tot welke lichamelijke afwijkingen de ouderwetse kinderverzorging leidt. ‘Vanaf de eerste dag dat ik ermee begonnen ben, heeft ze kleur gekregen en zie je haar aankomen en sterker worden.’
Om te zoenen
In de brieven spreekt de schrijfster geregeld over haar eenzaamheid en haar verlangen naar László, mede omdat Izy (Isobel) niet komt opdagen. De echtgenote van haar broer Sam heeft beloofd om Madelon gezelschap te houden, maar laat uiteindelijk verstek gaan. ‘Lieve, vanavond heb ik heusch een beetje heimwee naar je. ’t Is al zoo lang sinds ik je zag en ’t zal nog zoo lang duren, vóór ik je zie. ’t Is heusch om te gaan maanblaffen.’x
Ze heeft veel last heeft van ontstekingen in haar mond, die ze met Odol bestrijdt. Toch gaat ze sporadisch uit met andere planters, zoals Lawford en zijn vrouw, met wie Madelon een ritje in de omgeving maakt. ‘Zij gaat nu ook altijd mee, dat is beter.’ Met hen eet ze ook in hotel Belvedère tijdens een afscheidsfeest. Uit Madelons beschrijving blijkt duidelijk de promiscue sfeer die in de planterskringen heerst.
‘Massa’s proleten en shimmy dassen. Ik heb Kretsjik even gesproken, maar die had ’t erg druk met mevr. Reuvers, die er ook uitzag om te zoenen. Marietje Doorenbos was er ook. Die danst heel innig met Reuvers, kop aan kop met dichte oogen. Belachelijk gewoon. xi
Om haar tamelijk jaloerse László, die toch al vindt dat zij hem te weinig schrijft, gerust te stellen, bagatelliseert Madelon de uitspattingen in het hotel. ‘Lieve, ik ga een beetje uit. Ik ben een beetje aan de boemel, maar in alle eer en deugd. Ik heb vannacht van je gedroomd – niet erg deugdzaam. Ja, heusch!’
Hollandse karbouwen
De altijd kritische Madelon heeft weinig op met de grove planters, die graag verhalen over al hun amoureuze veroveringen. Zij rekent hen tot de categorie van de typisch Hollandse karbouwen. Het meest ergert ze zich aan de man die haar vol trots vertelt dat een vrouw in Parijs zich voor hem van het leven beroofde. ‘Zoo, zei ik, nou dat is stom van ‘r.’ Madelon benadrukt dat de buitenlandse mannen veel charmanter zijn en dat de Nederlandse vrouwen die aan een buitenechtelijke verhouding beginnen dat vrijwel altijd met een buitenlander doen. Tot haar genoegen hoort ze dat zijn eigen vrouw hem bedrogen heeft met een Deen. ‘Serves him right’, is haar conclusie.xii
Aan de andere kant toont zij begrip voor de kwetsbare positie van de assistenten van de cultuurmaatschappijen in hun omgang met de koelies. In het afgelopen jaar vonden in Deli 44 aanslagen op planters plaats, waaronder twee moorden. Aan het slot van haar laatste brief verwijst Madelon naar de recente moord op mevrouw Landzaat, de echtgenote van een rubberplanter. Het leidt tot een telegram van de ongeveer 150 plantersvrouwen aan koningin Wilhelmina, waarin zij de regering oproepen tot meer bescherming voor de Europese employés.xiii
László kampt in Telok Dalam met heel andere problemen. Als ervaren rubberplanter zou hij in aanmerking komen voor de leiding over een plantage, maar hij brengt het niet verder dan tot waarnemend administrateur. Bij de directies van andere cultuurmaatschappijen vangt hij, ondanks hevig aandringen, bot. Dat heeft ongetwijfeld te maken met zijn huwelijk met Madelon.
Riskante speculaties
Er ontstaan hevige spanningen tussen hem en Madelon, die met hun dochtertje weer naar de rubberplantage is afgedaald. Lang zullen hun onderlinge botsingen niet duren. Nadat in de loop van 1929 de rubberprijzen sterk dalen, met als gevolg dat de tantièmes van de rubberemployés ook omlaag gaan, besluiten zij nog voor de zomer van 1930 gedrieën naar Boedapest terug te keren.
Het in de rubber opgebouwde vermogen moet hen in staat stellen in de Hongaarse hoofdstad een comfortabel leven te leiden. Helaas gebruikt László’s oudste broer Pál Abraham, die bij een bank werkt, hun geld voor riskante speculaties. In korte tijd verliezen Madelon en László vrijwel hun volledige vermogen. Pál maakt uit schaamte een eind aan zijn leven.
László maant zijn echtgenote om veel zuiniger te zijn met het huishouden, maar Madelon heeft een beter idee. Zij schrijft de eerste van een reeks romans over het rauwe leven van de rubberplanters in Deli. Haar eerste boek Rubber verschijnt al in 1931.xiv Het succes van haar werk is zo groot dat het echtpaar zich amper drie jaar later de aankoop kan permitteren van een riant appartement aan de Andrássy út, de mooiste boulevard van Boedapest.
FRANK OKKER
Noten
i Brief van Madelon Székely-Lulofs aan László Székely, 27 juni 1929.
ii Voor meer informatie over haar leven, zie Frank Okker: Tumult. Het levensverhaal van Madelon Székely-Lulofs. Amsterdam 2008.
iii Over de tekeningen en het literaire werk van László Székely, zie László Székely en István Radnai: Dit altijd alleen zijn. Verhalen over het leven van planters en koelies in Deli, 1914-1930. Vertaald en ingeleid door Gábor Pusztai en Gerard Termorshuizen. Leiden 2007.
iv Tumult, p. 87-89 en 96.
v Tumult, p. 90, 92-94.
vi Brieven van Madelon Székely-Lulofs aan László Székely, 20 en 27 juni 1929. De brieven bevinden zich in de nalatenschap van mevrouw M.M. Modderman-Doffegnies, de oudste dochter van de schrijfster.
vii Brief aan László Székely, 27 juni 1929.
viii Brieven aan László Székely, 29 juni en 6 juli 1929.
ix Brieven aan László Székely, 20 en 29 juni 1929.
x Brieven aan László Székely, 27 juni en 6 juli 1929.
xi Brief aan László Székely, 27 juni en 9 juli 1929.
xii Brief aan László Székely, 27 juni 1929.
xiii Brief aan László Székely, 9 juli 1929. C.K. Elout: De Groote Oost. Den Haag 1930, p. 15-17 en 195-201. Tumult, p. 94.
xiv M.H. Székely-Lulofs: Rubber. Roman uit Deli. Amsterdam 1931.

