De vergeten opstand van De Zeven Provinciën

Kapal 7; Marine, matrozen en de muiterij van 1933, het nieuwe boek van Herman Keppy, blaast een legendarische Indonesische muiterij nieuw leven in, schrijft Sander van der Horst.

In 1933 liet een Indonesische opstand op het marineschip De Zeven Provinciën het Nederlandse wereldrijk trillen op zijn grondvesten. Verheerlijkt door communisten en doodgezwegen door anticommunisten is de muiterij nu grotendeels vergeten. In het zeer lezenswaardige Kapal 7 stelt Herman Keppy het verhaal van de muiters centraal en blaast daarmee deze belangrijke geschiedenis nieuw leven in.

Harian Rakjat
‘De muiterij op het schip Zeven Provinciën was een patriottisch en heroïsch verzet van een deel van de helden van ons Volk in de strijd tegen het imperialisme-kolonialisme. Dat is de reden waarom wij deze gebeurtenis en haar helden elk jaar herdenken: zoals Boshart, Kawilarang, Tuhumena, Manuputy, Sudijana, Wahab en de anderen die sneuvelden. (…) De herdenking van deze muiterij organiseren we te midden van de opkomende geest van het Volk om het kolonialisme uit West-Irian te verdrijven. (…) De vlam van de muiterij zal niet doven.’

Het is 5 februari 1962 als dit opiniestuk verschijnt in Harian Rakjat, dagblad van de Communistische Partij van Indonesië (PKI). De auteur is Bambang Sukawati, schrijver, kunstenaar en een prominent lid van LEKRA (Lembaga Kebudajaan Rakjat), de culturele organisatie gelieerd aan de PKI. Bijna dertig jaar na de Indonesische muiterij op het Nederlandse marineschip De Zeven Provinciën, in februari 1933, blijkt de herinnering aan de opstand springlevend. In de jaren ’50 en ’60 vieren activisten als Bambang Sukawati elke jaar de opstand als symbool voor de antikoloniale en antikapitalistische inborst van het Indonesische ‘Volk’. De auteur verbindt de opstand zelfs met de gewapende strijd voor de dekolonisatie van Nederlands Nieuw-Guinea, die in 1962 in alle hevigheid is losgebarsten. Zo vergelijkt hij de omgekomen muiters van 1933 met de Indonesische marinecommandant Yos Sudarso, op dat moment net gesneuveld in een gevecht met de Nederlandse marine voor de kust van Papua.

Het artikel van Bambang Sukawati laat zien hoe bijna drie decennia na dato de muiterij van ’33 een inspiratiebron was in postkoloniaal Indonesië. Het laat ook zien hoe in de jaren erna de opstand voor politieke karretjes werd gespannen, met name voor nationalistische of communistische doeleinden. Het verhaal van de opstand, waarbij minstens twintig Indonesiërs en drie Nederlanders de dood vonden, verwerd zo deels tot propaganda.

Cover van 'Sedjarah Pembrontakan di Kapal Tudjuh'
‘Sedjarah Pembrontakan di Kapal Tudjuh’, het enige werk over de muiterij in het Indonesisch, uitgegeven twee jaar na de herbegrafenis van de muiters. De auteur is Matthijs Sapija, ten tijde van de opstand waarschijnlijk bestuurslid van een Indonesische marinebond

Bijna honderd jaar na dato lijkt het bijzonder slecht gesteld met de publieke herinnering aan de Indonesische muiterij. Meer dan dertig jaar aan anticommunistische geschiedschrijving onder het Suharto-regime heeft daar ongetwijfeld een grote rol in gespeeld. Tot op de dag van vandaag is er geen Indonesischtalig werk over de opstand verschenen (uitzondering op de regel is een werk uit 1960 (!) door Matthijs Sapija, ten tijde van de opstand bestuurslid van een Indonesische marinebond). Een van de weinige tastbare herinneringen aan de opstand is een verzamelgraf van Indonesische schepelingen op de erebegraafplaats Kalibata bij Jakarta.

Feit van fictie scheiden
Om die reden is het nieuwste boek van Herman Keppy, Kapal 7, zeer te verwelkomen. Het werk van Keppy, onder andere bekend van zijn werk over het Indische en Indonesische verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, is het eerste vernieuwende Nederlandstalige onderzoek over de opstand in lange tijd.* Met een grote collectie historische kranten en in gesprek met oud-matrozen blaast Keppy dit sleutelmoment nieuw leven in. In rake zinnen zet Keppy de muiterij en haar impact helder uiteen. Daarbij scheidt hij nadrukkelijk feit van fictie, juist omdat de opstand vaak is gebruikt voor koloniale of antikoloniale propaganda.

De muiterij op De Zeven Provinciën was niet alleen het resultaat van de onrechtvaardigheid van een loonsverlaging, door de Nederlandse koloniale overheid opgelegd om de economische klappen van de Grote Depressie op te vangen: de Indonesische schepelingen – die voor hetzelfde werk sowieso al veel minder verdienden – werden met 17%  gekort, de Nederlandse met 14%. Keppy maakt inzichtelijk dat de matrozen óók in opstand kwamen omdat honderden van hun collega’s waren opgesloten en ontslagen na een demonstratie tegen diezelfde loonsverlaging. Daarnaast laat Keppy zien dat de muitende bemanningsleden expliciet waren in hun boodschap dat ze géén geweld in de zin hadden en het schip goedschiks zouden overdragen. Het koloniale gouvernement had daar geen boodschap aan. Sterker nog, een paar dagen na de muiterij reageerden de autoriteiten met het bombarderen van het schip. De voltreffer op het schip was een vergissing; de dienstdoende piloot – derde reserve – had de briefing gemist dat er eerst een waarschuwingsbom moest worden gelost.

Matroos Bertus Latuheru, een van Keppy's informanten, op bezoek bij zijn schoonfamilie in Bima op het eiland Soembawa, 1937
Matroos Bertus Latuheru, een van Keppy’s informanten, op bezoek bij zijn schoonfamilie in Bima op het eiland Soembawa, 1937, privécollectie Latuheru

Broze solidariteit
Keppy behandelt niet alleen de gang van zaken omtrent de opstand maar laat ook duidelijk de impact ervan zien op de Nederlandse en Nederlands-Indische samenlevingen, met name de vaak heftige discussies tussen bewegingen en politieke partijen in de koloniale metropool. Wat daarbij opvalt zijn twee zaken.

Ten eerste zien we hoe broos de Nederlandse solidariteit met de Indonesische opstandelingen was. In het Nederland van de jaren ’30 verklaarden allerlei (radicaal-)linkse facties zich solidair met de opstandelingen, terwijl zij elkaar onderling hardvochtig bestreden. Keppy toont daarbij overtuigend aan dat zelfs een deel van de meest anti-imperialistische krachten in Nederland een paternalistisch wereldbeeld koesterde. Ook volgens bepaalde partijen op ‘links’ zouden de Indonesische zeelieden namelijk nooit in staat zijn geweest om zelf het schip helemaal te overrompelen en te besturen; daarvoor zouden ze alsnog hun witte collega’s nodig hebben gehad. Niet helemaal de internationale arbeiderssolidariteit die raciale scheidslijnen moest overstijgen.

Spotprent van Albert Hahn junior in 'De Notenkraker' van 18 februari 1933, collectie Herman Keppy
Spotprent van Albert Hahn junior in ‘De Notenkraker’ van 18 februari 1933, collectie Herman Keppy

Een wereldwijde sensatie?
Ten tweede laat Keppy in het hoofdstuk ‘Wereldwijde sensatie’ zien hoe media uit andere koloniale machten in Europa zich tot de opstand verhielden. In Frankrijk, Engeland en Duitsland blijkt de opstand de voorpagina’s gehaald te hebben en was het dus een internationaal onderwerp van gesprek.

Tegelijkertijd had dit hoofdstuk aan nog meer diepgang gewonnen door over de grenzen van de Westerse en Nederlands-Indische wereld was gekeken. Wat was bijvoorbeeld de rol van de Sovjet-Unie? Door Nederlandse communisten en andere tijdgenoten wereldwijd werd de muiterij vergeleken met een muiterij op de pantserkruiser Potemkin in 1905, achteraf gezien een proloog van de Russische Revolutie van 1917. Dat was niet zo verwonderlijk: een paar jaar daarvoor had Pantserkruiser Potjomkin van Sergej Eisenstein het hart van menig bioscoopganger veroverd. De metafoor past in het communistische beeld van De Zeven Provinciën als varende ‘Sovjet’ waarbinnen koloniale rassen- en klassenscheidingen werden opgeheven. Maar hoe reageerden de machthebbers in Moskou, tegen die tijd al in de totalitaire ban van het Stalinisme, op de opstand? Waarschijnlijk werd dit breed in de Soviet-pers uitgemeten, maar had Kapal 7 bijvoorbeeld nog impact op de band tussen ‘Moskou’, de Communistische Partij Holland (CPH), en de ondergrondse PKI? Daarnaast waren er ook de vakbonden in zowel Nederland als Nederlands-Indië. Deze waren niet per se communistisch, maar werden daar wel van verdacht en om die reden hevig de kop ingedrukt. Hoe verhielden zij zich tot mogelijke inmenging van Moskou?

Daarnaast maakt de focus op internationale media ook nieuwsgierig naar de reacties in andere gekoloniseerde gebieden. Sijpelde het nieuws over de opstand en haar bloedige einde bijvoorbeeld ook door naar plekken als India, Suriname, West-Afrika of China? En zo ja, wat waren daar de reacties? Een dergelijke invalshoek, had de titel van het hoofdstuk ‘wereldwijde sensatie’ nog meer recht gedaan. Een dergelijke invalshoek had de muiterij in een vergelijkend perspectief kunnen plaatsen. In hoeverre hebben we hier te maken met een unieke opstand in de koloniale wereld? Was er meer van dit soort spontaan ‘maritiem’ verzet in Azië en Afrika?

Postkoloniale herinnering
Ten slotte noemt Keppy in een epiloog de canonisering van de scheepslieden als antikoloniale martelaren in de Sukarno-tijd. Een dergelijke uiteenzetting maakt hongerig naar meer. Hoe is in het postkoloniale Nederland en Indonesië van na de Tweede Wereldoorlog teruggegrepen op de opstand, buiten de relatief kleine kring van nabestaanden? En gebeurde dat dan voornamelijk door communistisch gezinde Nederlanders en Indonesiërs, zoals het bovenstaande artikel uit Harian Rakjat lijkt te suggereren?

De plechtige herbegrafenis van de gedode Indonesische muiters in 1958, afbeelding uit het Indonesische tijdschrift ‘Historia’.

In de epiloog vermeldt Keppy dat in 1958 de stoffelijke resten van de gedode Indonesische muiters naar de erebegraafplaats Kalibata bij Jakarta zijn overgebracht. Zo werden de muiters door het Sukarno-regime nadrukkelijk in een nationale, antikoloniale canon geplaatst. Hendri F. Isnaeni, historicus en redacteur van het populaire tijdschrift Historia, vermeldt echter dat tijdens deze herdenking in het geheel niet werd ingegaan op de korting van salarissen als aanleiding voor de muiterij. De Sukarnoïstische interpretatie maakte van de muiterij een vaag gedefinieerd ‘antikoloniaal’ moment in de opmaat naar 17 augustus 1945, de Indonesische onafhankelijkheidsdag. Dit terwijl de Indonesische communistische partij, die ten tijde van de herbegrafenis razendsnel groeide, juist stevig het klasse-element van de opstand benadrukte, zoals blijkt uit het hierboven genoemde stuk uit Harian Rakjat.

Door het betrekken van zulke postkoloniale omgangen krijgt het verhaal van Kapal 7 als mythe nog wat meer diepgang. Neem het werk van Alice Boots en Rob Woortman. In hun biografie van Anton de Kom knippen zij het verhaal in tweeën: de feitelijke levensloop van De Kom versus de postkoloniale mythevorming rond zijn persoon. Die tweedeling, historische gebeurtenis naast postkoloniale canonisering, had Kapal 7 nóg meer reliëf gegeven.

Indonesische bemanning van de Kapal 7, met één Hollandse collega, collectie NIMH
Indonesische bemanning van de Kapal 7, met één Hollandse collega, collectie NIMH

Laat ik duidelijk zijn: dit alles doet geen afbreuk aan het boek als geheel. Integendeel, het legt een stevige basis voor vervolgonderzoek. Daarnaast is de auteur glansrijk geslaagd in zijn opzet om het verhaal vanuit de opstandelingen te vertellen, hoe moeilijk dat ook is vanwege het tekort aan bronnen vanuit hun perspectief. En nog een belangrijke reden om het boek te lezen zijn de vele en nooit eerder vertoonde foto’s van de Indonesische manschappen, naast de vele sprekende spotprenten en pamfletten.

Met het werk van Keppy is het laatste woord over de Kapal 7 nog niet gezegd. Maar dit boek brengt het gesprek over de muiterij naar een hoger niveau doordat het veel misverstanden over deze vaak onbegrepen periode rechtzet. Het wachten is op een Indonesische vertaling, zodat een nieuwe generatie zich deze fascinerende geschiedenis eigen kan maken.

SANDER VAN DER HORST

* In 2023 verscheen Naar Soerabaja (Walburg Pers) van Wil de Graaf, maar dat leunt uitsluitend op bestaand onderzoek en het verslag van Antoon de Graaf, de Nederlandse vader van de auteur. Aan de Indonesische kant van het verhaal is geen aandacht besteed.

Kapal 7; Marine, matrozen en de muiterij van 1933, door Herman Keppy, Uitgeverij West, 2026