Het pellen van twee katjangs: de inburgering van de Valckeniertjes

Een aangename verrassing voor de redactie was de spontane bijdrage van Leonard Blussé. Hij schreef dit boeiende artikel naar eigen zeggen ‘omdat het een unieke kijk biedt op enkele verwaarloosde onderwerpen in de vroeg-moderne koloniale geschiedenis: kinderen, “thuiskeer”, opvoeding en uiteenlopende meningen daarover’.  

In de loop van 1736 werd de raad van Indië Adriaan Valckenier tot Directeur-generaal van Nederlands-Indië benoemd, en omdat zijn rivaal en plaaggeest Gustaaf Willem van Imhoff naar Ceylon was weggepromoveerd, leek hem niets meer in de weg te staan om te zijner tijd de oude heer Patras op te volgen als Gouverneur-generaal. Ook in de privé-sfeer lachte het leven Valckenier tegemoet. Samen met zijn geliefde Susanna Christina Massis, ‘eene jonge en deftige matrone met een heerlijk en deftig wezen en gelaat’, vormde hij een gelukkig koppel. Zij bezaten twee kinderen: de tien- jarige Susanna Catharina (Sanne Caatje) , dochtertje uit zijn eerdere huwelijk met Johanna Alida Tolling, en de zes jaar oude Isaac Adriaan (Ary). Het gezin leefde in het benauwde kasteel van Batavia, maar geregeld verbleven zij op Zeelust, een paleisachtig buitenverblijf omringd door een ‘extraordinair fraaie’ tuin met beeldhouwwerken.

Het Biljardhuis
Gravure naar een tekening van Johann Wolfgang Heydt uit 1740, voorstellende het Biljardhuis in de tuin van Zeelust

Valckenier, een praalzuchtig en ijdel man, zag dit maatschappelijk succes en huiselijk geluk gaarne vereeuwigd met een familieportret en een rijk geïllustreerd boekwerk voorzien van een reeks aanzichten van Zeelust en andere bezienswaardigheden van Batavia. Voor dat laatste doel had hij de landmeter en tekenaar Johann Wolfgang Heydt uit Ceylon laten overkomen. Voor de vervaardiging van het familieportret stuurde hij ‘de geschilderde troniën’ van hemzelf, vrouw en kinderen naar de Republiek om daar te worden afgebeeld door de fluwelen penseel van de vermaarde schilder Verkolje. Vanitas vanitatum et omnia vanitas.

In het daaropvolgende jaar werd deze tropische idylle ruw verstoord. Op 11 februari 1737 bezweek Susanna Christina aan de heersende koortsen en nog geen drie maanden later blies op 3 mei Gouverneur-generaal Abraham Patras de laatste adem uit. De nog in diepe rouw gedompelde Adriaan Valckenier werd onmiddellijk met algemene stemmen als zijn opvolger gekozen. Later werd bekend dat ongeveer op dezelfde datum acht schepen van de retourvloot waren vergaan op de Kaapse ree, een ramp zonder weerga in de geschiedenis van het Compagniesbedrijf, èn een slecht voorteken voor het bestuur van de pas aangetreden GG. Van de weeromstuit werd Valckenier, die zich altijd liet voorstaan op zijn robuuste constitutie, eveneens geveld ‘door geweldige attaques der hier grasserende kwaadaardige koortsen’. Onthutst vroeg hij zich af of ‘hier geen sprake was van Gods slaande hand voor welk wij ons moeten vernederen?’. Plots realiseerde hij zich hoe kwetsbaar en feilbaar hij was geworden.

Hoe Valckenier deze tegenslagen probeerde te verwerken vinden wij weerspiegeld in zijn bewaard gebleven persoonlijke correspondentie met familieleden, vrienden en bekenden uit de jaren 1738-1739.[1] Deze collectie brieven biedt een uniek kijkje in het persoonlijk leven van de pasbenoemde landvoogd. Nu zijn vrouw overleden was en hijzelf ook met zijn gezondheid kwakkelde, beoogde hij allereerst de levens van zijn kinderen veilig te stellen. ‘Om ze niet onder vreemden te laten sukkelen als ze ouderloos mochten worden’ besloot hij hen op stel en sprong naar Nederland te zenden, in afwachting van zijn eigen overkomst enkele jaren later. ‘Of ik ooit het geluk zal hebben mijne kinderen weder te zien is de providentie alleen bekend,’ zo verzuchtte hij.

Hoe Valckenier een en ander aanpakte en hoe het de kinderen bij aankomst in Nederland verging, is het vertellen waard, al is het maar omdat over de repatriëring van kinderen in de VOC-tijd maar weinig bekend is. Tot dusver heeft eigenlijk alleen Bea Brommer met haar prachtig geïllustreerde To my dear Pieternelleke een tipje van de sluier opgelicht. Aan de hand van de brieven van de oud-GG Willem van Outhoorn aan zijn kleindochtertje Pieternella van Hoorn heeft zij gereconstrueerd hoe dit meisje samen met haar ouders in 1709 de overtocht naar Nederland maakte en hoe het haar daar later vergaan is.

Wat valt er te vertellen over de repatriëring van de kinderen Valckenier? Dankzij de twee bewaard gebleven briefboeken kunnen we beschikken over het commentaar van een aantal ooms en tantes die verrast de katjangs uit Batavia opvingen en er alles aan deden om ze tot nette Hollandse burgers om te toveren.

Gouverneur-generaal Valckenier bereidde de overtocht van zijn kinderen zorgvuldig voor en liet daarbij weinig aan het toeval over. Hij verzocht zijn kinderloze broer Pieter en vier getrouwde en ongetrouwde zusters in Amsterdam om zich over hen te ontfermen in afwachting van zijn eigen overkomst. Want amper was hij tot Gouverneur-generaal verkozen of hij ‘reikhalsde er al naar uit zijn zware dienst te worden ontslagen’. Hij diende dan ook bij de Heren XVII het verzoek in om te mogen aftreden wanneer hij meende door de zware koortsen verzwakt zijn taak niet meer te kunnen vervullen.’[2] Dat verzoek werd bij hoge uitzondering per kerende post ingewilligd. Het zal Valckenier zijn leven lang hebben gespeten dat hij niet, toen het nog kon, de uitgestoken hand van de bewindhebbers heeft aangenomen.

Sanne Caatje (detail)

Daar de kinderen in den vreemde waren geboren, diende voor hen allereerst het groot burgerschap van Amsterdam te worden aangevraagd. Om dat financieel mogelijk te maken stortte Valckenier alvast enorme bedragen in de kas van de Amsterdamse Weesmeesters: voor Anna Caatje fl. 145,921 en voor Ary fl. 62,430. Hij verzocht zijn zwagers Cornelis Hop en Jan van Holst de zaak aanhangig te maken zodra de kinderen in Holland aankwamen. Dat hebben ze inderdaad gedaan.[3]

Valckenier maakte haast met zijn maatregelen. Zonder antwoord uit Amsterdam af te wachten vertrouwde hij nog datzelfde najaar de zorg over beide kinderen toe aan het Friese echtpaar Abraham en Margaretha Banier,­ die hen gedurende de overtocht zouden chaperonneren. Voor de dagelijkse verzorging gingen als reisbaboes twee vertrouwde huisslaven mee: Catjong van Sumbawa en Nassa van Mandaar. Op 11 november 1737 vertrok dit gezelschap aan boord van het retourschip Nieuwland. Er zullen daar op de Bataviase ree heel wat tranen gevloeid hebben bij het afscheid van vader en kinderen.

Kosten noch moeiten werden gespaard om de overtocht zo aangenaam mogelijk te maken. Twee runderen, zes kalveren, 38 varkens, zestien schapen, zes herten, twintig ganzen, 500 hoenderen en 200 eenden gingen voor de mondkost mee. Het kon niet op! Ook werd beroep gedaan op enkele bemanningsleden om hand- en spandiensten te verrichten voor de twee jeugdige passagiers en hun begeleiders. In zijn reisverslag beklaagde Abraham Banier zich er later over dat de bemanning zich niet de kans had laten ontglippen om een graantje mee te pikken van deze geldverslindende operatie. ‘Het scheepsvolk heeft zich niet heel dankbaar betoont voor al ’t goede gedurende de reis aan haar bewezen, vermits zijlieden mij met geweld en dreigementen afgeperst hebben om voor onze hofmeester en de jongen die in de kajuit door U Hoogedelheid geplaatst is, ieder veertig guldens te betalen voor een roergang zoals zij ’t noemden.’ Ook voor de constabelsmaat die op voorspraak van oma Massis als broodbakker was aangesteld, werd ‘met geweld’ 40 gulden ingehouden.

Tijdens de zeven maanden lange reis met een tussenstop van vier weken aan de Kaap kregen beide kinderen de mazelen maar daar kwamen ze gelukkig snel weer bovenop.[4] De Baniers vermeldden trots dat zij de kinderen bij hun ooms en tantes hadden afgeleverd ‘in zulken staat dat ieder die de lieve kinderen zag moest betuigen dat ze nooit kinderen uit India, en dat zo eerst van de reis komende, gezien hadden die er zo wel uitzagen’. Dat was ongetwijfeld mede te danken aan de inspanningen van Catjong en Nassa, want ‘zij hadden zich gedurende de reis zeer wel gedragen en de kinderen wel opgepast.’[5]

Ary (detail)

Hoe verliep de ontvangst in Nederland? De kinderen arriveerden niet onverwachts op Texel, want de Baniers hadden vanuit de Kaap via London hun komst al laten aankondigen. Alle ooms en tantes waren dus al ingelicht en dat was maar goed ook, want broer Pieter, bij wie Adriaan zijn kinderen had willen onderbrengen, was zo pas overleden. De hele familie ging zich dan ook met de kinderen bemoeien. In hun brieven aan broeder Adriaan in Batavia schreven de zwagers Hop en Van Holst en de vier zusters ieder op hun eigen manier hoezeer zij getroffen waren door die grappige kinderen met hun uitgesproken Indisch gedrag. Allemaal hadden zij wel een mening over de beste manier waarop zij konden worden ingeburgerd. Het was duidelijk dat vooral aan het taalgebruik eerst het een en ander gesleuteld moest worden. Een goede vriend van de familie Willem Hogerwaard van Waverveen vertelde dat de voogden met de gedachte hadden gespeeld om de kleine Ary in de kost te doen bij iemand die ook Frans sprak. Dat leek hem erg onverstandig. Dan zou volgens hem de jongen ‘het Nederduits nimmer prompt leren, maar altoos overblijfsel van een Oostvaarder behouden’. ‘Men heeft wel gedaan,’ zo meende hij, ‘de slavinnen haar beiden afgenomen te hebben want dus schikken zij zich de humeuren best na het vaderlandse…’[6] De meest zakelijke reactie kwam van Jan van Holst en daar blijf ik even bij stilstaan voordat ik nog enkele citaten geef uit de vermakelijke brieven van de opgewonden tantes van de kinderen.

Na enige plichtplegingen – hij feliciteerde Valckenier met zijn benoeming tot landsvoogd en handelde enkele financiële en administratieve zaken af, zoals de verdeling van de meegezonden geschenken en kleren voor de kinderen – ging Van Holst in op de positie van Catjong  en Nassa. ‘De slaaf en slavinne door het arrivement alhier nu vrije luiden geworden zijnde, hebben wij niet raadzaam gevonden bij de kinderen te laten alzo wij tijdig gewaar wierden dat zulks tot merkelijk nadeel van de kinderen zoude hebben verstrekt, en hebben derhalve de kinderen aanstonds gesteld onder het toezicht ende tedere zorg van haar tantes, onze zeer geliefde zusters Anna Catharina en Margareta Valckenier.’ Uit de brief van Abraham Banier weten we dat Catjong en Nassa tot hun terugkeer naar Indië bij hen in Rinsumageest mochten blijven logeren. Nassa vertikte het namelijk om tussen varensgasten in een Amsterdamse herberg te bivakkeren.

Oom Jan van Holst had zinnige ideeën over de opvoeding en scholing van de kinderen.[7] Hij meende dat het zesjarige jongetje ‘onder zodanige kinderen van zijn jaren en zelfs nog wat ouder en van egaal fatsoen best te naturaliseren zou [zijn], en de Hollandse taal en zeden zodanig zou inzuigen, dat hij binnen enige jaren een geboren Hollander gelijken zou.’ Daarom was de jongen ‘naar het voorbeeld van andere van dien rang aldaar in de halve kost besteld, wordende vijf dagen in de week ’s ochtends ten negen uren door de knecht gebracht en des avonds na vijf uren weerom teruggehaald en dan apart nog in huis onderwezen in de gronden van de godsvrucht, in het schrijven en particulierlijk in de Hollandse taal.’ Een kindermeisje sliep bij Ary in dezelfde kamer ‘om hem voor onheilen te bewaren, zoo levende van geest en woelende van lichaam als hij is’.

Voor de vijf jaar oudere Sanne Caatje was een ander leertraject uitgestippeld. Zij was na drie maanden bij de tantes in Amsterdam ‘in een der voornaamste Haagse Franse scholen in de kost gedaan bij Madame Bourges’. Erg eenzaam zal zij zich daar niet hebben gevoeld, want uit een brief van tante Rebecca, die met Baron Hop getrouwd was en in Den Haag woonde, blijkt dat ze elke donderdag en zondag bij de Hops kwam eten.

Een en ander wordt bevestigd door Sanne Caatje zelf in een briefje aan haar vader. Zij vertelt dat zij ‘in gezelschap van verscheidene zeer aangename jonge juffrouwen van de eerste rang een complete opvoeding geniet, zoo in godsvrucht, goede zeden als andere exercitiën met mijne jaren in geboorte overeenkomende’.[8]

Zoals uit Van Holts brief moge blijken, was er een inburgeringscursus nodig om de twee katjangs behoorlijk de Nederlandse taal te leren en de in ons land heersende zeden en gebruiken bij te brengen. In december 1738 kon Van Holst al aan zijn zwager in Batavia verslag doen van de voortgang van het onderwijs. ‘In onze laatste hebben wij ampel verslag gedaan van de kinderen. […] Arie is zodanig in de Nederduitse taal, vaderlandse zeden, en wellevende manieren toegenomen dat het bijna ongelofelijk is, zulks wij hopen hem op zijn achtste jaar tot de Franse en Latijnse taal te zullen kunnen doen overgaan. Nichtje gaat ook vooruit behalve de taal waarin somtijds nog wel wat hapert, dog zulks is geen wonder dewijl [ze]  in het school meest Frans hoort en die taal tegelijk dient machtig te worden.’

Tante Anna Catharina, bij wie Sanne Caatje en Ary werden ingekwartierd, had haar broer in Batavia het volgende te vertellen over het uiterlijk en het gedrag van zijn kinderen. ‘Zeer groot naar hun leeftijd waren ze in de eerste maand zo levendig en weinig gewent onder discipline te zijn, dat wij vreesden veel werk zouden hebben, om ordelijke kinderen van te formeren […] Voornamelijk Sanne Catie die zich zo veel verbeelde op de hoge karakter van Uedele dat wij daar dikwijls om moesten lachen, maar hebben het haar al laten weten te beduiden dat zulks in Holland niet moet geschieden en [zij] laat zich [dat] wel van ons zeggen. Arytje is wel wild, maar van een eer goedaardige en buigzame aard. […] Wij hebben u dikwerf geprezen om de kinderen naar Holland te sturen. Het zijn tegenwoordig de zoetste kinderen die men wensen kan… Sanne Catie heeft al een charmante air zo goed als een van de beste juffertjes van haar jaren… elk kan zich niet genoeg verwonderen hoe wij die kinderen in zo korte tijd veranderd hebben, maar zulks heeft wel hoofdbreken en oppassen gekost.’

‘Ary heeft het beste humeur van een kind van de wereld en is vol koddige invallen, doet niet als praten van zijn papaatje… hij drinkt alle dagen op UEd gezondheid en roept dan Hoereij! Hij vraagt ons alle dagen of zijn papaatje nog niet over zal komen en zegt dat Ued het aan hem beloofd hebt, om toekomende jaar hier te komen […] zo als deze zit te schrijven springt Uwedele lieve zoon al rond om mij en roept: “tante lief, ik verzoek mijn papaatje te schrijven dat ik zijn Edele duizend zoentjes toezend, en wel op zal passen om te leren, en zo haast als ik schrijven kan zelf een brief zal zenden, en verzoek Uwedele sijn grootmoeder en vader Massis voor hem te kussen. Telkens wanneer gasten verzochten eens het overgezonden portret van zijn vader te mogen zien mopperde Ary dat diens neus te breed geschilderd was. Dan zei die kleine jongen dat lijkt mijn papa niet want die heeft de schoonste neus van Batavia.’

De tantes hadden een meid gehuurd om op het jongetje te passen omdat hij zo levendig van aard was. Wanneer hij eenmaal wat ouder was wilden ze hem wel ‘aan de goede directie van hun zwagers overlaten’. Tante Catharina had Catjong en Nassa zelf nooit ontmoet, maar een vooringenomen mening had zij wel over hen. ‘De zwart en zwartin hebben wij niet bij de kinderen gelaten, zulks werd ons zeer afgeraden, voor eerst omdat des leven gewent waren over die slaven te commanderen, ten tweeden dat dan de Hollandse taal niet zouden leren, en ten derden omdat wij die in ons huis niet bergen kosten. De kinderen hebben daar altoos geen aandoening van gehad. Ter contrarie zeiden zij bang voor dat zwarte vlees waren en hebben ze niet weer willen zien.’

In de herfst van 1738 werden de vrijgemaakte slaven met ‘een behoorlijke uitrusting en geschenken zoals een tabaksdoos voor Catjong en een ‘paar gouden oorkrabben ieder met een diamant voor Nassa’ op het schip naar Batavia gezet.[9] Het angstige briefje dat Nassa aan het einde van de reis aan Valckenier verstuurde met het dringend verzoek een prauw te sturen om het leven van de zieke Catjong te redden , mag hierbij niet ontbreken:

Briefje van Nassa aan Valckenier

Hoogedele en groothagtbare Heer,

Mein Genadige Heer Adrian Falckenier General Gouverneur van Nederlands India

In aller onderdaenigste demoetigheit hebbe die vreijpostigheit genommen uwe Hoog Edle en Genadige Heer te berichten dat Ick met Catjou ben 12 alhier in straet [Soenda] aruviret maar door Contrarie wind niet verder als onder dat hoge lands van Bantam is gekommen. Die groote verlangen om Uwe genaden te spreken verbindet mir Uwe genade te bidden om een praw te stijren dat ick met Catjou moet an Batavia gebracht worden terwijl Catjou ziek is.

In aller onderdanigste demoetigheit bidde groetenisse te doen an mijne tochter Amelia en verblijve tot in den dodt,

Hoogedele en Grootachbare Heer

Meines genadige heeren onderdanigste slavinne Nassa.[10]

Blijkbaar kon Nassa er, gezien haar vroegere verhouding tot haar meester, nog niet echt aan wennen dat ze hem nu als vrije vrouw aanschreef.

Hier moeten wij afscheid nemen van Adriaan Valckenier en zijn twee kinderen. Sanne Caatje overleed al in 1743. De Gouverneur-generaal werd in de nasleep van de Chinezenmoord van oktober 1740 gearresteerd en in afwachting van de uitslag van het proces dat tegen hem werd aangespannen opgesloten in het punt Diamant van het kasteel Batavia. Daar kwam hij in 1751 te overlijden voordat er een uitspraak had plaatsgevonden. Ook Adriaan Isaac Ary kwam tragisch aan zijn einde. Ontoerekeningsvatbaar verklaard nadat hij zijn vrouw en zichzelf om het leven had willen brengen, sleet hij evenals zijn vader zijn laatste levensdagen in eenzame opsluiting.

Portret van de familie Valckenier door Nicolaas Verkolje, ca. 1737 (foto Tom Haartsen)
Portret van de familie Valckenier door Nicolaas Verkolje, ca. 1737 (foto Tom Haartsen)

Maar hoe liep het nu af met het familieportret en het prachtige boekwerk dat Valckenier voor ogen had? Johann Wolfgang Heydt heeft inderdaad na zijn terugkeer naar huis in eigen beheer een platenboek gepubliceerd met daarin de afbeeldingen van Zeelust.[11] Het familieportret is er ook gekomen à raison van 200 ducatons, ongeveer 635 gulden. Nicolaas Verkolje heeft het gecomponeerd aan de hand van de uit Batavia overgezonden ‘tronies’ van Valckenier en zijn overleden echtgenote. Alleen de kinderen kon hij naar het leven in zijn eigen atelier op het doek zetten. Wij zien hier een duur betaald droombeeld dat Adriaan Valckenier zelf nooit te zien zou krijgen, maar wel veel over te horen kreeg in de brieven van de overkant. Helaas, Bai wen bu ru yi jian百闻不如一见, een keer zien is meer dan honderdmaal horen.

LEONARD BLUSSÉ

[1] Inventaris van het archief van A. Valckenier 1.10.05.05 invoice No, 1 Aankomende Vaderlandse en Kaapse brieven (Alles bijeen 231 brieven inclusief bijlagen 261 stukken. Invoice 5 Minute der afgaande Patriasche Brieven dd. 20 oktober 1738- 4 februari 1739).

[2] NA 1.10.05.05 inv.5 p. 117-120. 20 oktober 1738.  Brief aan Egidius Tolling.

[3] Appendix bij brief van zuster Hop-Valckenier 10 juli 1738 compareren voor notaris Hendrik Van Aaken,  Cornelis Hop, schepen en raad mitsgaders gecommitteerde de raad van de Edele grootmogende heren Staten van Holland en West Friesland, en de heer Johan van Holst, advocaat van de respectieve hoven van justitie in ’s Hage […] om bij procuratie van notaris Johan van Visvliet te Batavia te procureren brieven van naturalisatie. In december liet Van Holst al weten dat hij en Hop ‘Nopens de naturalisatie van de kinderen een generale resolutie verwachtte ‘waardoor alle particuliere verzoeken die wij anders daartoe zouden hebben gedaan onnodig zullen zijn.’

[4] J.R. Bruijn, F.S. Gaastra, Dutch-Asiatic Shipping. Den Haag: Martinus Nijhoff 1979, vol.III, p. 349-50. Vertrek Batavia op 2 november 1737, aankomst Texel op 18 juni 1738.

[5] 1.10.05.05 inv. 16. Brief A. Banier. Rinsumageest, 23 september 1738

[6] 1.10.05.05 inv.29, 10 oktober 1738.  Brief van Willem Hogerwaard van Waverveen (1694-1754)

[7] Valckenier had hoge dunk van het pedagogische inzicht van Van Holst want hij vergeleek diens eigen pedagogisch model met de denkbeelden van François Fénelon in diens pedagogische roman Les avontures de Télémaque.

[8] Hoog Edele Gestrenge Heer mijn Heer en Hooggeëerde Vader

Wij zijn door Godes goedheid op den 11 juni laatstleden onder geleide van de heer en juffrouw Banier gelukkig binnen Amsterdam gearriveerd, met veel liefde en tedere genegenheid door onze Heeren Oomen en Tantes ontvangen. Dog vonden tot ons hartelijk leedwezen dat onzen Heer Oom Valckenier reeds overleden was, en zijn wij derhalve bij de jonkvrouwen Tantes Valckenier gaan wonen en door de zelve in de vaderlandse zeden en manieren onderricht. Waarna onze Heeren omen en voogden hebben goedgevonden mij voor enigen tijd alhier in den Hage te brengen onder de educatie van Madame Bourges een van de voornaamste Franse kostscholen van den Hage, alwaar ik in gezelschap van verscheidene zeer aangename jonge juffrouwen van de eerste rang geniete een complete opvoeding, zoo in godsvrucht goede zeden als andere exercitiën met mijne jaren in geboorte overeenkomende van mijn avancement in welke ik met ter tijd U Hoog Ed hope zodanige blijken te geven, dat dezelve daar in een compleet genoegen zal vinden en te tonen dat ik ben

Hoog Edele Gestrenge Heer

Mijn Heer en Hooggeëerde Vader

U Hoogedele gestrenge gehoorzame dochter

Suzanna Catharina Valckenier

Naar aanleiding van dit briefje schreef tante Rebecca Jacoba Hop op 15 september 1738 […]  ‘Hiernevens de brief van Uw ed. Lieve dochter daar Ued. In kan zien hoeverre zij in het schrijven is geavanceerd, hoewel Ued wel zal kenne zien het schrift haar maar moet toe-eigenen uit de stijl voor haar te hoogdravend zoude zijn, daar broer Johan van Holst de hand aan heeft geslagen, echter zien ik kans genoeg zij haar eigen brieven wel haast zal kennen stellen al is het wat minder geleerd.’

[9] Bruijn & Gaastra, Dutch-Asiatic Shipping , vol. II, p.464-65. Diemermeer, vertrek Texel op 5 november 1738, aankomst in Batavia op 9 juni 1739.

[10] NA. 1.10.05.05, inv.1, 72.

[11] G.J.W. Heydt, Allerneuester Geographisch- und Topographischer Shau-Platz von Africa und Ost-Indien. Wilhermsdorf: in verlag des Authors 1744.