Antropologe Lizzy van Leeuwen vroeg zich af ‘waarom nog steeds geen onderzoeksgroep van vaderlandse bodem de rijke seksuele geschiedenis van Indië als integraal onderdeel heeft aangepakt’. Met Indehoy! Geschiedenis van seks in Indië, 1602-1942 schreef Van Leeuwen zelf ‘een verkenning’ van ruim 400 pagina’s, waarin zij de leefwereld van Indië, met een andere kijk op seks (vrijer en veel minder moreel beladen dan in de toenmalige christelijk-westerse cultuur), naast de macht en beeldvorming van de Europeanen plaatst. Volgens Alice Boots een waardevol boek, alleen al vanwege de veelheid van het bronnenmateriaal, ondanks dat de structuur niet helpt om de diversiteit aan thema’s en perspectieven goed te blijven volgen.

Bijna twintig jaar geleden verscheen De njai. Het concubinaat in Nederlands-Indië van Reggie Baay. In dit boek beschreef Baay de levens van de njai, de Aziatische huishoudster van een ongetrouwde Europeaan die ook het bed met hem deelde. Als ze geluk had trouwde dit vaak jonge meisje met haar toean, zeker als er inmiddels kinderen waren en die door de vader erkend werden. Doorgaans liep het echter anders af: als de man na verloop van tijd met een vrouw uit zijn land van herkomst trouwde, werd ze vaak zonder een cent weggestuurd ‘terug naar de kampong’, al dan niet met de kinderen die uit die relatie waren voortgekomen. Soms ook werd ze ‘overgedaan’ aan een andere man. Vaak is er weinig meer van haar terug te vinden in de archieven. Dat de interesse voor de tragische geschiedenis van deze vrouwen sindsdien een vlucht heeft genomen en er pogingen worden gedaan de lotgevallen van individuele vrouwen te achterhalen, bewees onder andere het boek Lichter van dan ik van Dido Michielsen, die het leven van een njai (haar betovergrootmoeder) in de vorm van een historische roman heeft gereconstrueerd. In De voormoeders ondernam Suze Dijkstra weer op een andere manier een zoektocht naar haar roots van moederskant.
Lizzy van Leeuwen koos niet voor die persoonlijke invalshoek. In Indehoy! Geschiedenis van seks in Indië, recent (2026) uitgekomen, benadert zij het onderwerp seks in Indië over de gehele koloniale periode, chronologisch, met behulp van een groot aantal bronnen en vanuit een veelheid aan perspectieven.
In de inleiding van haar ruim 400 pagina’s tellende boek, dat ze niettemin ‘een eerste verkenning’ noemt, vraagt Van Leeuwen zich af ‘waarom nog steeds geen onderzoeksgroep van vaderlandse bodem de rijke seksuele geschiedenis van Indië als integraal onderdeel heeft aangepakt’. Een mogelijke verklaring voor deze lacune is volgens haar de allesoverheersende focus op ‘geweld’ door de Nederlandse kolonisator. Dat is natuurlijk niet de enige verklaring. Feit is echter dat ook bij Van Leeuwen haar Indische achtergrond de drijfveer is voor haar onderzoek. Met die achtergrond maakt ze deel uit van de naar schatting 1,5 tot 2 miljoen Nederlanders die Indische roots hebben.
Hoe groot de verschillen in aanpak tussen de bovengenoemde boeken ook mogen zijn, de rode draad is dezelfde: ongelijkheid tussen overheerser en overheerste, racisme en vooroordelen, het seksueel uitbuiten van arme inlandse vrouwen of jongens en een dubbele moraal. De Europese koloniale elite probeerde de eigen positie op allerlei manieren te handhaven. Het vasthouden aan eigen waarden, het bevorderen van hiërarchische verhoudingen tussen de bevolkingsgroepen en het tegengaan van gemengde relaties maakten daar onderdeel van uit. Wat Van Leeuwen hier in haar boek onder meer aan toevoegt is de beeldvorming rond de seksualiteit van de inwoners van de archipel, en later die van Indo-Europeanen, voortgekomen uit de gemengde relaties tussen Europese mannen en ‘inlandse’ Aziatische vrouwen.
Het waren in eerste instantie vooral alleenstaande mannen die zich in de archipel settelden. Eerst vanuit de VOC, bijvoorbeeld als militair of koopman, later als ambtenaar of administrateur op een plantage. Zo lang ze alleen bleven, hadden ze behoefte aan een vrouw. Van Leeuwen laat zien dat daar per periode andere oplossingen voor werden gevonden. Vaak werden die oplossingen door Europese machthebbers ter plaatse of uit het moederland vanuit een moreel standpunt veroordeeld, maar in de praktijk veranderde er meestal niets.

Het VOC-tijdperk
Als rond 1600 de eerste VOC-vloot opstoomt naar de Oost, hebben de bestuurders grosso modo twee zorgen: het binnenhalen van de specerijen die hier te lande veel winst opleveren en het met militairen bevechten van Spanjaarden en Portugezen die zich ook in de regio hebben genesteld. De bestuurders hielden zich niet bezig met de lokale bevolking die ze daar zouden aantreffen. Reisverslagen vertelden over zeden en gewoonten en meldden het op grote schaal voorkomen van slavernij, maar hoe het in die verre streken toeging bleek de kooplieden pas in de praktijk, als (handels)partners er andere gewoonten op na hielden dan de Hollanders. Typerend is dat afwijkende gewoonten in de gebieden die men aantrof van meet af aan vanuit een (negatief) Hollands perspectief werden beoordeeld.
Waar men in de burelen van de VOC al helemaal niet bij stil had gestaan, ongeïnteresseerd als men was in het (lagere) personeel, was dat de mannen die in de Oost gestationeerd werden op den duur behoefte kregen aan omgang met een vrouw en dus relaties aan zouden gaan met een Aziatische vrouw. Maar dat gebeurde toch. Het warme weer en de hete spijzen bevorderden de lust, zo was het idee, en tegelijkertijd moest er gewaakt worden voor ‘tegennatuurlijke seksualiteit’ (d.w.z. homoseksualiteit). Die relaties moesten echter geen bestendig karakter krijgen en voor alles moest voorkomen worden dat een Aziatische vrouw mee terugging naar Europa, met kinderen met gemengd bloed in het kielzog. De VOC kwam dus al snel met regelingen. Een VOC-lid ter plaatse mocht na 1634 alleen trouwen als hij ervoor tekende nog minstens vijf jaar te blijven als vrije burger. Twee decennia later mocht een VOC-personeelslid alleen trouwen met een toestemming van zijn meerdere.
De praktijk werd dat mannen die het konden betalen een vrouw (slavin) kochten en weer anderen een concubine zochten. Deze tweede oplossing kwam, opvallend genoeg, in de buurt van het ‘tijdelijke huwelijk’ dat in deze contreien een lange traditie had, waarbij vrouwen een relatie met handelaren aangingen, in ruil voor geschenken. Van Leeuwen maakt duidelijk dat het aannemen van geschenken door de Europeanen als prostitutie gezien werd, terwijl men daar in het land zelf anders tegen aankeek: de vrouwen maakten de mannen wegwijs in de lokale omgeving en geschenken in de vorm van sieraden verleenden haar prestige.
Aan de hand van dit gegeven diept Van Leeuwen vervolgens een antropologisch interessant thema uit, namelijk dat de archipel een heel andere leefwereld kende, en dat men er anders tegen seksualiteit aankeek. De omgang met seks was vrijer en veel minder moreel beladen dan in de toenmalige christelijk-westerse cultuur. Homoseksualiteit en (jonge) mannen penetreren werd als mannelijk gezien, er was meer aandacht voor vrouwelijk genot, homoseksualiteit bij vrouwen en zelfs transgenderisme.
Als Van Leeuwen terugkeert naar het perspectief vanuit Europese mannen, dan blijkt dat in de VOC-periode en ook daarna, mannen vooral profiteerden van de situatie die ze daar aantroffen. Tot de afschaffing van de slavernij in 1860 (in de gebieden die onder Nederlands bestuur vielen) waren er voldoende vrouwen voorradig die hen seksueel tot dienst moesten zijn en niet de mogelijkheid hadden om ‘nee’ te zeggen. In het grotendeels islamitische land was het bovendien gebruikelijk om meerdere vrouwen te hebben (en daar bleef het in de Javaanse hofcultuur zelden bij). Dus, stelt Van Leeuwen, ‘vele Europese mannen pasten zich zonder scrupules aan die gewoonten aan’, de steeds terugkerende morele bezwaren en angst voor ontucht vanuit het moederland, hervormingspogingen, debatten, opgeheven vingers van dominees ter plaatse, en van wie al niet meer, ten spijt.

Opkomst van de njai
Als rond 1860 de slavernij in door Nederland bestuurde gebieden wordt afgeschaft, breekt er een andere periode aan. Veel alleenstaande mannen nemen een njai. Voor haar is het samenleven een middel van bestaan. Zij deelt met hem het bed en gaat in de stad naar de markt, wast de kleren van de soldaat in de kazerne en kookt daar zijn potje. Haar leefgebied bevindt zich daar tussen het bed van de ene militair en de andere. Ook op de vele plantages is de njai te vinden. De verdienste van het boek van Van Leeuwen is dat ze niet alleen aandacht heeft voor de ondergeschikte en rechteloze positie van deze vrouwen, maar dat ze laat zien dat de rollen ook omgedraaid kunnen worden, want de njai beschikte over kennis waarmee ze de man kon betoveren, en als ze echt wilde, bijvoorbeeld na een onrechtvaardige behandeling, ook kon vergiftigen. Dit alles steunde op eeuwenlang opgedane kennis over de werking van (met name) inheemse planten. Gevallen van zo’n vergiftiging zijn gedocumenteerd. De Europeanen wisten daar geen raad mee, en diep in hun hart waren ze er bang van. Het is een van de vele tegenstellingen die voorkwamen in de voormalige kolonie.
Met het hoofdstuk ‘De wereld van de njai. Djamoes, vergif en goena-goena’ betreedt Van Leeuwen dus wederom het domein van de inheemse Indonesische cultuur, waarin voor een veelheid aan medische en seksuele problemen op grote schaal gebruikgemaakt werd van djamoes (inheemse kruidenmengsels, drankjes enzovoort) en doekoens (traditionele genezers en vroedvrouwen). Menige njai wist met die traditionele middelen – ze waren gewoon op de markt te koop – een ongewenste zwangerschap te voorkomen of te verdrijven, en, het moet gezegd, de (meeste) mannen bij wie ze was ingetrokken gingen daar ook wel vanuit.

Seksparadijs
Als in 1869 het Suezkanaal wordt geopend, betekent dat een veel kortere vaarroute naar de archipel. Het aantal Europese echtgenotes neemt in rap tempo toe, en daarmee verdween het instituut njai. Dat wil niet zeggen dat deze vrouwen er niet meer waren, ze verdwenen alleen (nog) meer naar de achtergrond. De koloniale bovenlaag streeft naar een Europese cultuur. Inmiddels hebben de vele gemengde relaties echter ook een grote groep van (vaak arme) Indo-Europeanen voortgebracht en raakt de kolonie steeds meer doordrenkt van een hiërarchisch onderscheid tussen koloniale bovenlaag, Indo’s en oorspronkelijke Aziatische bewoners. Tegelijkertijd gingen seksuele betrekkingen tussen deze groepen als altijd gewoon door.
De Indo-jongen bracht het er in de beeldvorming slecht vanaf. Hij werd als lui en onbetrouwbaar afgeschilderd. Kranten berichtten met graagte over schandalen waar een Europese vrouw en haar Indo-bediende bij betrokken waren. Bij het vaak mooie Indische meisje lag de zaak weer anders. Arme meisjes belandden niet zelden in de prostitutie en werden dan door Europese mannen bezocht. Sommige meisjes trouwden met een Europese man, maar dan rees de vraag of ze diep in hun hart niet een inheemse of Indische man bleven begeren, of ze, kortom, wel betrouwbaar waren. Romans speelden hierop in. Ze waren een uitdrukking van en koloniale ideologie doordat ze vooroordelen over deze Indische groep bevestigden.
Aan het begin van de twintigste eeuw neemt het sekstoerisme op het tropisch paradijs Bali toe, en is de interesse van vele buitenlandse mannen aldaar gericht op Balinese jongens.

Lizzy van Leeuwen heeft met Geschiedenis van seks in Indië 1602-1942 een buitengewoon waardevol boek geschreven. Eens te meer blijkt weer dat ontwikkelingen in het sociaal-economische en politieke domein ook gevolgen hebben voor de manier waarop men aankijkt tegen de beleving van (homo)seksualiteit en de relatie man-vrouw.
In de inleiding bij het boek schrijft Van Leeuwen “dat ‘indehoy’ – of indehoi – een modern Indonesisch woord is dat volgens het woordenboek ‘vrijen, liefde bedrijven’ betekent. “Indehoy,” schrijft ze, “komt vermoedelijk uit het Nederlands en verwijst naar het aloude liefdesspel in de hooiberg. De term is ingeburgerd geraakt in de koloniale tijd, en dat is niet voor niets.” Op zich is de herkomst van dat woord een aardig gegeven, maar als titel van dit boek niet erg gelukkig gekozen omdat er in het boek vaak sprake is van gedwongen seks en misbruik.
Zoals eerder aangegeven omvat Indehoy! maar liefst ruim 400 pagina’s. Hoe interessant de materie ook is, en hoe boeiend de vele verhalen die Van Leeuwen vertelt, de vijftien hoofdstukken zijn lang en bevatten soms meerdere thema’s met een veelheid aan – op zich wetenswaardige – informatie. Dat leest niet altijd even makkelijk. Tegelijkertijd zou de lezer soms meer bestuurlijk-politieke achtergrondinformatie willen hebben om het beschrevene voor zichzelf beter in een kader te kunnen plaatsen. Het boek biedt een totaaloverzicht over een lange periode, maar ook onderzoekers die in deelgebieden geïnteresseerd zijn kunnen veel profijt hebben van het verzamelde bronnenmateriaal (verslagen, boeken uit de beschreven periode, romans, krantenberichten enzovoort) en de opgevoerde buitenlandse (Engelstalige) publicaties.
ALICE BOOTS
Indehoy! Geschiedenis van seks in Indië, 1602-1942, door Lizzy van Leeuwen, Walburg Pers, 2026
Alle afbeeldingen bij het artikel zijn afkomstig uit het besproken boek, behalve de foto bovenaan: ‘Studioportret van de heer Van der Velden met zijn dochter Johanna van der Velden en zijn echtgenote of njai te Bandoeng’ [bijschrift KITLV], fotograaf Wa Fong, circa 1900, collectie KITLV