Vorig jaar werd Ernst Jansz’ debuutroman Gideons droom (1983) heruitgegeven. Speciaal voor deze uitgave stelde hij uit zijn oeuvre de cd Gideons droom samen, zijn meest ‘Indische’ album tot nu. Uit dit repertoire heeft Ernst Jansz nu een theaterprogramma samengesteld: krontjongversies van een aantal van zijn mooiste liedjes in een theatrale setting (8 juni in het Tong-Tong-Theater). Hij zingt o.a. ‘Rumah saya’ en ‘Tijd genoeg’ (uit de Doe Maar-tijd waarin Gideons droom is geschreven), liedjes van zijn soloalbums De overkant en Molenbeekstraat en enkele van zijn Dylan-vertalingen.
Ernst Jansz zingt en vertelt zijn Indische sprookjes en wordt daarin ondersteund door Guus Paat (gitaren), Richard Wallenburg (bas), Aili Deiwiks (viool) en Shelly Lapré (dans, licht- en schaduwspel).
Het is een klein boek, dit Mijn voormoeders van de Molukken dat Wies van Groningen (1929) schreef. Precies 55 bladzijdes telt het. Op de brievenweegschaal woog het nog geen ons. Toch is het een van de volste en mooiste boeken die ik in lange tijd gelezen heb. Een universum bevat het, over opeenvolgende generaties Molukse vrouwen. Over haar “voormoeders” schreef Wies van Groningen eerder, maar nooit op deze manier. Zij staat in de magische lijn van deze voormoeders: “En ik Louise Elisabeth, dochter van Clara Hukom, heb opgeschreven wat ik van hen weet…” 