Llewelyn Powys in Afrika: racist of kosmopoliet?

Dit is deel 22 in de reeks ‘Het voetspoor van Indische boeken’.

Arjen Mulder (1955) is bioloog, schrijver en essayist en doceert mediatheorie en social semiotics aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent en Codarts is Rotterdam. In 2016 verscheen zijn meest recente boek De successtaker; Adrien Turel en de wortels van de creativiteit, in 2019 verschijnt Vanuit de plant gezien. In september 2018 wordt hem de Dr. Wijnaendts Franckenprijs voor essayistiek van de Maatschappij der Nederlandse letteren uitgereikt. Mulder is oud-redacteur van De Gids en stelde voor dat tijdschrift het themanummer ‘Indische schrijfsters’ samen.

 

LLewelyn Powys (1884-1939), de jongste van de drie gebroeders Powys die wereldfaam verwierven met hun volstrekt originele geschriften, schreef en publiceerde in de roaring twenties in New York een verbluffend unzeitgemäß boek met de titel Black Laughter (1924). Het bevat korte autobiografische essays over zijn ervaringen in de vijf jaar dat hij als koloniale boer in Engels Oost-Afrika woonde. Hij was erheen gegaan vanwege de droge lucht die veel beter voor zijn tuberculose was dan het vochtige klimaat in Zuidwest-Engeland waar hij tot dan toe had gewoond.

Llewelyn Powys in 1928, foto Doris Ulmann

Het boek is geen makkelijke lectuur omdat Llewelyn op de hem typerende wijze nooit om de hete brij heen draait. Hij schrijft niet zozeer bekentenisproza, hij is eerder oprecht geïnteresseerd in al zijn geestelijke reacties op wat de nieuwe omgeving met hem uitspookt. Wat voel ik? is steeds de hoofdvraag. Wat doet mijn sociale en natuurlijke omgeving met mij? Black Laughter ligt de liefhebbers van de Powys-broeders nog altijd zwaar op de maag, naar ik constateerde op een bijeenkomst van de Powys Society waar ik sprak over Llewelyns unieke vorm van essayistiek. De meeste ‘Powysians’ menen dat Llewelyn zich in het boek als racist ontpopt. Ik denk van niet.

De grootste pijnpunten zitten in twee hoofdstukken waarin Llewelyn rechtstreeks te maken krijgt met de zwarte onderdanen van het Britse rijk. In een schitterend geschreven hoofdstuk ‘A Gentleman’s Rebuke‘, vertelt Llewelyn dat hij zich verplicht had gezien de leiding over de boerderij aan de rand van de savanne over te nemen van zijn oudere broer, die met de Duitsers was gaan vechten in het kader van de zojuist uitgebroken Eerste Wereldoorlog. Llewelyn legt uit hoe hij vrijwel meteen een ecologische ramp veroorzaakt door wat gras op het erf af te branden. For nearly a week afterwards, as I lay on the veranda at night, I could follow the progress of that bush-fire. En dat was nog maar het begin.

Hij beschrijft zijn ontmoetingen met Somalische handelaars. When they saw me they would leave their mules and camels and with the utmost courtesy come over to talk to me in Swahili, telling me where they were going and about the cattle they had with them. De nadruk in deze zin ligt op utmost courtesy, opperste hoffelijkheid.

Op een avond komt een van de Somaliërs naar de boerderij en vraagt Llewelyn toestemming om op het vlas in de grote schuur te gaan slapen. Later die avond keert de gast terug naar het huis en vraagt om een extra deken. And because I had already acquired the provincial attitude of a white man in a black man’s country, I felt disinclined to loan him any of my brother’s blankets, but instead went and fetched a thick rug which was used for covering the kicking mule when the nights were chilly.

Waarom vertelt Llewelyn dit? Omdat hij een racist is? Ik denk eerder dat hij duidelijk wil maken wat het kolonialisme doet met de ziel: het maakt van de Engelsman een provinciaal. De Somaliërs zijn dat niet, zij zijn kosmopolieten.

Llewelyn vervolgt: You know how the occasions in one’s life when one has behaved especially crudely have a way of recurring to one’s mind for years and years afterwards. Dat soort gelegenheden ken ik heel goed. Maar tot wie richt Llewelyn zich, wie is die You? Zijn medeblanken? Nee, het soort lezers met wie Llewelyn wil praten als zijn gelijken, en het gesprek gaat helemaal over gevoel, sensaties, mentale reacties, gemaakte keuzes. Waarom vraagt Llewelyn de Somalische handelaar niet bij hem binnen? En als de Afrikaan het dan koud krijgt en net zo menselijk als hijzelf blijkt te zijn, vraagt Llewelyn hem opnieuw niet binnen, maar duwt hem in plaats daarvan een stijve, stinkende muildierdeken in handen. Waar komt dat opperste gebrek aan hoffelijkheid vandaan?

I offered him the wrap; he looked at it, he saw the gray hairs on it and he returned it to me in silence, but with an expression on his proud finely bred features of such infinite contempt that I felt my ingnoble action had in some way put me completely outside the pale of some unwritten standard of behaviour, taken for granted amongst gentlemen in the common-wealth of the human race.

Die les heeft hij geleerd. Alleen kan het nog erger misgaan in het intermenselijk verkeer met de zwarte bevolking. De meest huiveringwekkende scène uit Black Laughter komt voor in het hoofdstuk ‘A Stockman’s Hegira‘. Hij en zijn broer, die kort op verlof is, maken een rondrit te paard door het weidse land rond de boerderij. Ze leiden hun paarden omlaag naar een rivier, de Milowa:

We were within a few yards of it when, looking into a kind of ditch-like place, we saw the body of a native lying head downwards, with stiff beaded legs protruding grotesquely against the side of the bank. We passed on. I was in two minds to go back and discover what had killed the man in this out of the way place, but then remembered I was in Africa. After all it was none of my business. A dead nigger more or less, what did it matter?

Ik herinnerde me dat ik in Afrika was (hij vergeet zichzelf). Maar hier stopt het verhaal niet, het krijgt een vervolg in het latere hoofdstuk ‘On the Banks of the Guaso Nyiro‘. Llewelyn komt een jongen tegen die hem vertelt hoe het lichaam van de ‘dode nikker’ op de oevers van de Milowa terecht is gekomen. Het blijkt om een Kikuyu-jongen te gaan die met zijn vriend heeft geprobeerd een zak rijst te stelen van de Somalische handelaars. Als ze rond middernacht het kamp in kruipen wordt de vermoorde jongen opeens bij zijn enkel gegrepen. Zijn vriend ontsnapt in het oerwoud nabij de rivieroever. Meanwhile, the Somali, without a moment’s thought, had unsheathed his ornamented knife and slit open the thief’s navel as though he had been a jumping hare. He then put some more logs onto the fire and once more curled up to sleep. De jongen holt weg met zijn ingewanden in zijn handen, achter zijn vriend aan die hem ziet sterven. Tot zover de opperste hoffelijkheid van de Somaliërs.

Llewelyn: The narrator concluded his story by simply remarking, ‘There is no fooling with Somalis.’ He then went on eating his pottage as though it was all past history. Afrikanen, zowel de aristocratische als de boerse variant, zijn extreem nihilistisch als het om lijken gaat. Past history – voorbij is voorbij. Maar Llewelyn concludeert verrassend genoeg: ‘Certainly,’ I thought, as I entered the tent, ‘this is a land for the living. People have short memories in Africa for dead men.’

Dit is een land voor de levenden – en met die opmerking tilt Powys zich boven zijn eigen racisme uit. Op de conferentie van de Society probeerde ik mijn mede-Powysians duidelijk te maken dat Llewelyn iets nog veel ergers dan een racist is. Hij is iemand die zijn eigen racistische reacties aandachtig bestudeert om zijn provinciaalse en zijn kosmopolitische lezers een les te leren waar ze absoluut niet aan willen. Hij houdt ze een spiegel voor waar ze onder geen beding hun eigen gezicht in willen herkennen. Toen niet, en nog altijd niet.

ARJEN MULDER

Op de foto bovenaan zijn drie Somaliërs te zien, circa 1900.