Machteloze Nederlanders

Deel 3 in de reeks ‘Het voetspoor van Indische boeken

Boudewijn Walraven (1947) is emeritus hoogleraar Koreaanse Taal en Cultuur van de Universiteit Leiden. Hij vertaalde klassieke Koreaanse literatuur (gepubliceerd onder de titel De redder der armen) en poëzie en doet onderzoek naar sjamanisme, boeddhisme en de sociale rol van geschiedschrijving.  Walraven is geboren uit twee Indische ouders en heeft altijd een grote belangstelling gehad voor koloniale geschiedenis en literatuur. 

 

Helemaal nieuw was het niet voor me, maar een boek dat me nog eens goed duidelijk maakte dat de formulering ‘350 jaar koloniale overheersing’ een vertekend beeld geeft, was Eenigen tijd onder de Baliërs. Eene reisbeschrijving met aanteekeningen betreffende hygiène, land- en volkenkunde van de eilanden Bali en Lombok van Julius Jacobs (een broer van Aletta) uit 1883.

Wie op het internet zoekt naar beschrijvingen van dit werk door boekverkopers wordt vooral geattendeerd op Jacobs’ beschrijving van de borsten van de vrouwen op Bali, met opvallende ‘twee-traps’ tepels (waarvan Jacobs zelfs een tekeningetje bijvoegde), maar wat op mij vooral indruk maakte was hoe machteloos de Nederlanders in bepaalde opzichten waren. Jacobs was in 1881 als officier van gezondheid van Java naar Bali gestuurd om een rondreis te maken langs de verschillende koninkrijken, om de vorsten daar te doordringen van het belang van pokkeninentingen. Dat viel niet mee omdat de vorsten er het belang niet van inzagen. Op bezoek bij een van hen meent Jacobs een sterk argument gevonden te hebben als hij een jong meisje voorbij ziet lopen. Zou het niet mooi zijn, vraagt hij retorisch, als de schoonheid van de vrouwen niet door pokken ontsierd zou worden? Hij beseft meteen ernaast te zitten als de vorst, wiens erotische interesses elders liggen, minachtend snuift: ‘vrouwen?!’ Jacobs’ argument maakte in elk geval geen enkele indruk.

Het prediken van zaken als inentingen was weliswaar een typische koloniale bezigheid (die ook kolonisatie moest rechtvaardigen), maar de anekdote maakt wel duidelijk dat de macht van de kolonisator, al had die met de vorstenhoven verdragen gesloten, beperkt was. Het herinnert er ons ook aan – met een gevoel van schaamte – dat het directe koloniale bestuur van Bali pas tot stand kwam in het begin van de twintigste eeuw, en dat op de meest gruwelijke wijze toen in 1906 en 1908 honderden hovelingen van Badung en Klungkung, mannen, vrouwen en kinderen, zich in het geweervuur van de aanvallende Nederlanders stortten, liever dan zich over te geven, de beruchte puputan.

BOUDEWIJN WALRAVEN